Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair), dan wel dat de verdachte zich gevaarlijk en/of hinderlijk in het verkeer heeft gedragen (
subsidiair);
Rechtbank Limburg
Op 12 oktober 2022 vond een verkeersongeval plaats waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte was een van de drie inzittenden van het voertuig dat het ongeval veroorzaakte. De tenlastelegging betrof het veroorzaken van het ongeval als bestuurder, het verlaten van de plaats van het ongeval en het rijden zonder geldig rijbewijs.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat andere inzittenden niet werden vervolgd. De rechtbank oordeelde dat het OM op grond van het opportuniteitsbeginsel mocht beslissen en dat er geen sprake was van gelijke gevallen, gezien het DNA-bewijs dat specifiek op de verdachte wees.
De rechtbank beoordeelde het bewijs en concludeerde dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte de bestuurder was. De verdachte had plausibel verklaard dat hij als bijrijder achterin zat en dat zijn DNA op de airbag en telefoon kon zijn gekomen door de klap en het wegrennen. Het dossier bevatte geen aanvullend forensisch onderzoek om dit scenario te weerleggen.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens werden in beslag genomen voorwerpen teruggegeven. De rechtbank uitte haar begrip voor het slachtoffer, maar benadrukte dat de ware bestuurder onbekend blijft en dat het dossier niet volledig was onderzocht.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij bestuurder was bij het verkeersongeval.