ECLI:NL:RBLIM:2025:13046

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
11862449 CV EXPL 25-3482
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van huurachterstand en kosten in verband met huurovereenkomst bedrijfsruimte

In deze zaak vordert [eiseres] betaling van huurachterstand en kosten van [gedaagde sub 1] en Flexplekken, die een bedrijfsruimte huurden. De huurovereenkomst werd op 21 september 2018 gesloten met een vennoot van een vof, die later werd opgeheven. Flexplekken, opgericht in 2019, werd als huurder aangemerkt. Na het aantreffen van een hennepplantage in het gehuurde pand, werden huurbetalingen gestaakt. [eiseres] vordert betaling van de huurachterstand van € 148.588,35 en een bedrag van € 16.030,68 voor kosten van Enexis, die door [eiseres] zijn voorgeschoten. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst per 1 maart 2025 is beëindigd en dat beide gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de huurachterstand en de kosten. De vordering wordt toegewezen, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11862449 CV EXPL 25-3482
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. D.E.M.P.J. Reijnart,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
gedaagde partij sub 1,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1]
niet verschenen,

2.2. FLEXPLEKKENHEERLEN B.V.,

te [plaats] ,
gedaagde partij sub 2,
hierna te noemen: Flexplekken of de BV,
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiseres] had een bedrijfspand verhuurd aan [gedaagde sub 1] , als vennoot van een toenmalige vof. Enkele jaren later komt Flexplekken als huurder van het pand in beeld. Vervolgens worden termijnen niet betaald en wordt in het pand een hennepplantage aangetroffen. Het pand staat inmiddels leeg. [eiseres] wil nu dat [gedaagde sub 1] en Flexplekken de termijnen alsnog betalen. [eiseres] wil ook het bedrag terug dat [eiseres] heeft voorgeschoten aan Enexis. Volgens Flexplekken was evenwel afgesproken dat geen huur betaald hoefde te worden en is het voorgeschoten bedrag al terug betaald. [gedaagde sub 1] laat niets van zich horen. De kantonrechter veroordeelt beide partijen tot betaling.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord van Flexplekken
- het bericht van 16 november 2025 met productie van [eiseres]
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 november 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] heeft op 21 september 2018 met [naam VOF] (hierna: de vof) een huurovereenkomst (ex artikel 7:290 BW) gesloten waarbij [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] (hierna: het gehuurde) aan de vof heeft verhuurd. [gedaagde sub 1] is onbeperkt bevoegd vennoot van de vof en heeft uit dien hoofde de huurovereenkomst ondertekend. Bij aanvang van de huurovereenkomst heeft de vof een waarborgsom van € 13.500,00 aan [eiseres] betaald. Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing.
3.2.
De vof is in oktober 2019 opgeheven. Flexplekken (hierna ook kort: de BV) is op
29 augustus 2019 opgericht. Enig aandeelhouder en bestuurder van de BV is R&E Holding BV (in 2019 tevens nog: Marimi Holding B.V.). De heer [naam bestuurder 1] is bestuurder van R&E Holding B.V. De BV heeft, evenals voorheen de vof, als activiteit de verhuur van flexplekken aan het midden- en kleinbedrijf (uittreksels KvK).
3.3.
Medio 2019 heeft [gedaagde sub 1] zich tot [eiseres] gewend met het verzoek om de huurovereenkomst over te dragen aan de BV. Hierop heeft [eiseres] een indeplaatsstellingsovereenkomst opgesteld. Deze overeenkomst is nimmer ondertekend.
3.4.
Op 10 januari 2023 heeft de politie in het gehuurde een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester het pand met ingang van 8 mei 2023 voor de duur van zes maanden gesloten tot 8 november 2023.
Op dat moment waren een tiental bedrijven, waaronder de BV en [naam bedrijf] (met [naam bestuurder 1] als eigenaar), gevestigd op dit adres (productie 11).
3.5.
Enexis Netbeheer heeft bij brieven van 23 januari 2023 de BV aansprakelijk gesteld voor schade ad € 31.030,68, met de vermelding dat € 15.000,00 is voldaan (zodat nog een te betalen bedrag van € 16.030,68 resteert).
3.6.
Vanaf enig moment, maar in ieder geval vanaf de sluiting van het pand, zijn de huurpenningen niet meer voldaan.
3.7.
Bij emailbericht van 5 oktober 2023 heeft (de boekhouder van) Flexplekken aan de beheerder van het gehuurde meegedeeld dat de facturen vanaf januari 2023 niet meer betaald zijn geworden met als reden de sluiting van het pand. Voorts is meegedeeld dat verder gesproken dient te worden over de eventuele koop van het pand.
3.8.
De boekhouder van [eiseres] heeft hierop onder meer geantwoord:
Namens [eiseres] , eigenaresse van het door [naam VOF] gehuurde pand (..) delen we u mede dat huurder gehouden wordt aan de afspraken gemaakt in de huurovereenkomst welke is aangegaan op 1 oktober 2018 en lopende tot 30 september 2028. Huurder is, ondanks de ontstane situatie, verplicht de huur conform afspraak te betalen.
Los van het bovenstaande blijft de mogelijkheid om het pand aan te kopen (…) De koopsom is bekend, er zal verkoop plaats hebben op basis van “huurkoop”.
3.9.
In de maand februari 2025 is het gehuurde ontruimd en verlaten en is de huurovereenkomst beëindigd. Het gehuurde staat sindsdien leeg. De huurprijs bedroeg laatstelijk € 6.652,22.
3.10.
[eiseres] heeft bij brieven van 1 en 9 juli 2025, gericht aan zowel [gedaagde sub 1] als Flexplekken, verzocht, en gesommeerd, de huurachterstand ad € 148.588,35 te voldoen en de factuur van Enexis ad € 16.030,38 te vergoeden, waarbij buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente is aangezegd. De waarborgsom is met de huurachterstand verrekend.
3.11.
Er is geen betaling gevolgd.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert - samengevat - voor recht te verklaren dat de op 21 september 2018 gesloten huurovereenkomst ter zake het gehuurde, inclusief de al dan niet daarop gesloten overeenkomst tot indeplaatsstelling, per 1 maart 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd en tussen [eiseres] en de vof, alsmede diens vennoten en/of de BV aldus geen huurovereenkomst (meer) bestaat. [eiseres] vordert daarnaast de veroordeling van [gedaagde sub 1] en de BV hoofdelijk tot betaling van € 179.619,03, met rente en kosten.
4.2.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen [eiseres] en de vof is een huurovereenkomst gesloten. Deze huurovereenkomst is nimmer beëindigd c.q. formeel overgenomen en is dus blijven doorlopen tot en met 28 februari 2025. Tot die datum is de vof de huurpenningen verschuldigd geweest. [gedaagde sub 1] is als vennoot hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vof. De BV maakt met ingang van 29 augustus 2019 gebruik van het gehuurde en kan daarmee worden gekwalificeerd als huurder. Daarmee is de BV de gehele huurachterstand hoofdelijk verschuldigd, en anders op basis van een gebruiksvergoeding. [eiseres] heeft een gedeelte van de factuur van Enexis voorgeschoten, maar dit is nimmer door huurders vergoed. Huurders zijn de wettelijke handelsrente verschuldigdheid vanaf datum opeisbaarheid. Op grond van artikel 30.1 van de algemene bepalingen bedragen de buitengerechtelijke kosten € 15.000,00.
4.3.
[gedaagde sub 1] heeft niet geantwoord.
4.4.
Flexplekken voert aan dat partijen zijn overeengekomen dat er geen huurpenningen betaald hoefden te worden. Het door [eiseres] voorgeschoten bedrag is reeds terugbetaald.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

verstek
5.1.
Alleen Flexwerken is in de procedure verschenen, in de persoon van [naam bestuurder 1] . Omdat [gedaagde sub 1] niet is verschenen (en ook niet om uitstel heeft gevraagd), terwijl hij wel op de voorgeschreven wijze is opgeroepen, wordt tegen [gedaagde sub 1] verstek verleend. Tussen [eiseres] en Flexplekken is voortgeprocedeerd. Tussen alle partijen wordt uiteindelijk één vonnis gewezen, dat als vonnis op tegenspraak wordt beschouwd. De door Flexwerken gevoerde verweren strekken niet ten gunste van [gedaagde sub 1] , omdat geen sprake is van een rechtsverhouding die noopt tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing. De vordering tegen de niet-verschenen gedaagde moet afzonderlijk moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 139 Rv.
5.1.1.
Het voorgaande betekent dat de vordering tegen [gedaagde sub 1] wordt toegewezen, tenzij die onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Met de tenzij-clausule in artikel 139 Rv is bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de rechter de vordering bij verstek in beginsel toewijst. De rechter dient de vordering echter af te wijzen als deze hem ‘onrechtmatig of ongegrond’ voorkomt. Onder ‘onrechtmatig’ valt te verstaan dat de vordering rechtens niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde feitelijke gronden. Onder ‘ongegrond’ valt te verstaan dat de gestelde feitelijke gronden onaannemelijk lijken.
partijen bij de huurovereenkomst
5.2.
De kantonrechter ziet eerst aanleiding om vast te stellen wie de in geding zijnde partijen zijn.
[eiseres] is de verhurende partij
5.2.1.
Gelet op het door [eiseres] ingebrachte, en onweersproken gebleven, uittreksel uit de KvK en eigendomsinformatie Kadaster neemt de kantonrechter als vaststaand dat [eiseres] ten tijde hier van belang eigenaar, en verhuurder, is van het pand. [naam bestuurder 1] heeft op de mondelinge behandeling weliswaar gesteld dat het pand is verkocht aan een buurman, maar een verkoopdatum is niet genoemd en hieraan is ook geen rechtsgevolg verbonden. Zo al sprake is van een verkoop na het uitbrengen van de dagvaarding, kan dit de beoordeling hier niet anders maken.
Flexplekken (BV) is sowieso huurder
5.2.2.
Bij antwoord is geen verweer gevoerd tegen de stelling van [eiseres] dat vanaf de oprichting van Flexplekken tot maart 2025 sprake is geweest van een huurovereenkomst tussen [eiseres] en Flexplekken, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Aan de enkele stelling op de mondelinge behandeling dat deze huurovereenkomst nietig zou zijn vanwege een misverstand over de bestemming, gaat de kantonrechter voorbij reeds omdat aan die stelling geen rechtsgevolg is verbonden. Aan het subsidiaire standpunt van [eiseres] dat, voor zover geen sprake is van een huurovereenkomst, Flexplekken een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs voor het gebruik verschuldigd is, wordt niet toegekomen. De kantonrechter begrijpt Flexplekken voorts zo, dat op de mondelinge behandeling niet is bedoeld te stellen dat [naam bedrijf] de huurder zou zijn (maar eerder: onderhuurder). Zo dit wel zo is bedoeld, had het op de weg van Flexplekken gelegen om dit duidelijk te stellen en ook toe te lichten.
[gedaagde sub 1] als vennoot van de vof is eveneens huurder
5.2.3.
De vorderingen zijn mede gericht tegen [gedaagde sub 1] , omdat [eiseres] ook [gedaagde sub 1] aanmerkt als huurder. [eiseres] stelt dat de tussen de (vennoot van de) vof en [eiseres] gesloten huurovereenkomst formeel nimmer is beëindigd en daarmee is blijven doorlopen tot en met
28 februari 2025. Uit de stellingen van [eiseres] vloeit evenwel eveneens voort dat [eiseres] destijds wetenschap had van, en ingestemd had met, het gebruik van het gehuurde door juist de BV en dat de BV betalingen heeft verricht aan [eiseres] (terwijl van een onderhuurrelatie geen sprake is en de vof was opgeheven). De kantonrechter heeft zich daarmee in het kader van de verstektoets voor de vraag gesteld gezien of het (toch) aannemelijk is dat tot het einde ook sprake was van een huurrelatie met [gedaagde sub 1] . De kantonrechter begrijpt aan de hand van de stellingen van [eiseres] dat de (aanzienlijke) waarborgsom die bij aanvang door de vof is betaald, destijds niet is terugbetaald aan de vof of [gedaagde sub 1] . Indien de BV een geheel andere partij was geweest c.q. indien [gedaagde sub 1] geen huurder meer was, had het voor de hand gelegen dat [gedaagde sub 1] de waarborgsom had teruggevraagd. De kantonrechter leidt aldus ook hieruit af dat [gedaagde sub 1] huurder is gebleven.
5.2.4.
[eiseres] is daarmee ook ontvankelijk in zijn vorderingen ten opzichte van [gedaagde sub 1] .
In het navolgende zal [gedaagde sub 1] kortom eveneens als huurder worden aangemerkt. Volgens Flexplekken zou er hooguit € 300,00 op de bankrekening van Flexwerken staan. De kantonrechter begrijpt daarmee dat [eiseres] ook een aanzienlijk belang heeft bij een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] .
gevorderde verklaring voor recht
5.3.
Nu bij antwoord geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomst met Flexplekken vof, diens vennoten en/of Flexplekken per
1 maart 2025 is beëindigd, is die gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar. De kantonrechter begrijpt dat dit einde nog niet formeel was geregeld (waarmee [eiseres] een belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht). Deze vordering komt de kantonrechter - wat [gedaagde sub 1] betreft - niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze vordering is kortom in zijn geheel, op de wijze zoals gevorderd, toewijsbaar.
huurachterstand
5.4.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag dat Flexwerken heeft nagelaten om de huurpenningen over de maanden september en oktober 2021 volledig te voldoen (een gedeelte is wel betaald), en de huurpenningen over maart 2022, februari 2023 en de maanden april 2023 tot en met februari 2025 in zijn geheel te voldoen. Flexplekken erkent dat geen huur is betaald, althans vanaf de sluiting van het pand.
5.4.1.
Flexplekken voert het verweer dat partijen mondeling hebben afgesproken dat er geen huurpenningen betaald hoefden te worden. Bij antwoord is aangevoerd dat dit verband hield met de aangetroffen hennepplantage (en gold gedurende de periode van sluiting). Op de mondelinge behandeling is nog aangevoerd dat dit verband hield met een voorgenomen huurkoop (en daarmee gold tot het einde van de huurovereenkomst). [eiseres] betwist het maken van mondelinge afspraken (de specifieke afspraak in het bijzonder, als in het algemeen). In dit verband is een verklaring van de heer [naam bestuurder 2] (alleen en zelfstandig bestuurder van [eiseres] ), die niet bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn, ingebracht. Het lag daarmee op de weg van Flexplekken om de beweerde afspr(a)ak(en) genoegzaam te onderbouwen. Dit is niet gebeurd. Flexplekken stelt te beschikken over geluidsopnames, maar die zijn niet ingebracht. Er is volstaan met blote stellingen. De kantonrechter acht de gestelde afspraken ook niet geloofwaardig dan wel aannemelijk gemaakt. Flexplekken voert immers aan dat de hennepplantage was gevestigd in een achtergelegen loods (de kantonrechter begrijpt dat Flexplekken bedoelt dat Flexplekken niet ervan op de hoogte was c.q. niets ermee van doen had), maar uit het besluit van de burgemeester volgt duidelijk dat die kweekruimtes in het pand zelf waren gebouwd en dat de bestuurder sleutels en toegang had tot die kweekruimtes. Ook in geval van huurkoop zou op Flexplekken nog altijd een periodieke betalingsverplichting rusten en [naam bestuurder 1] heeft verklaard dat het pand is verkocht aan een derde. Het ligt daarmee niet in de rede dat [eiseres] zou hebben gezegd dat Flexplekken niet meer zou hoeven te betalen.
5.4.2.
Voor zover Flexplekken bedoeld te stellen dat eerst vanaf het aantreffen van de hennepplantage c.q. de burgemeesterssluiting geen huur is betaald (en daarmee betwist dat over de voorliggende periode geen huur is betaald), had het op de weg van Flexplekken gelegen om te onderbouwen dat de voorliggende periode wel is betaald. Dit is niet gebeurd. Zo is geen enkel betalingsbewijs ingebracht.
5.4.3.
Flexplekken heeft daarmee niet aan zijn stelplicht voldaan waarmee niet wordt toegekomen aan een bewijsaanbod. De kantonrechter merkt bij dit alles nog op dat [naam bestuurder 1] zelf heeft verklaard dat, als hij een gesprek had met [eiseres] , [eiseres] het tien minuten later niet meer wist. Voor zover Flexplekken al zou kunnen onderbouwen dat [eiseres] een keer heeft gezegd dat [naam bestuurder 1] zich geen zorgen hoefde te maken over de huur, mocht Flexplekken hieraan niet die waarde toekennen, nu [naam bestuurder 1] aldus bekend was met de gezondheidstoestand van [naam bestuurder 1] . Daarbij heeft [eiseres] aangegeven dat de beheerder alle huurderszaken regelde en alles op schrift moest.
5.4.4.
Daarmee wordt als vaststaand aangenomen dat de huurpenningen over de hier genoemde periode onbetaald zijn gebleven. Het in dit verband door [eiseres] berekende bedrag is onweersproken gebleven. Daarmee staat vast dat (na verrekening met de waarborgsom) sprake is van een huurachterstand van € 148.588,35. De vordering om Flexplekken te veroordelen tot het betalen van dit bedrag, ligt voor toewijzing gereed. De vordering komt de kantonrechter ten niet onrechtmatig of ongegrond voor en is daarmee ook toewijsbaar ten aanzien van [gedaagde sub 1] .
wettelijke handelsrente over de huurtermijnen
5.5.
De vordering om de huurtermijnen vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurpenningen te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ligt eveneens voor toewijzing gereed. [eiseres] heeft in dit verband onder verwijzing naar artikel 4.10 van de huurovereenkomst toegelicht dat de huurpenningen vanaf de eerste dag van de betreffende maand opeisbaar zijn. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en is daarmee ook toewijsbaar ten aanzien van [gedaagde sub 1] .
factuur Enexis van 23 januari 2023
5.6.
[eiseres] stelt aanspraak te maken op betaling van € 16.030,00, omdat Enexis dit bedrag bij Flexplekken in rekening heeft gebracht en [eiseres] dit bedrag heeft voorgeschoten. [eiseres] heeft bij de producties facturen van Enexis d.d. 23 januari 2023 ingebracht, beiden gericht aan de BV, welke zien op door Enexis geleden schade voor fraude ad € 31.030,68. In die brieven staat vermeld dat reeds € 15.000 is voldaan. [eiseres] geeft aan dat die € 15.000 niet door [eiseres] is betaald; het gaat om het restantbedrag. [eiseres] geeft niet aan wanneer het bedrag is betaald.
5.6.1.
Flexplekken voert het verweer dat [naam bedrijf] het bedrag van € 31.030,68 heeft betaald, omdat [naam bestuurder 1] anders deze zaak niet had kunnen openhouden. Er zou € 15.000,00 rechtstreeks aan Enexis zijn betaald (hetgeen in beginsel is te rijmen met het bovenstaande) én € 16.030,68 contant aan [eiseres] . Flexplekken stelt in verband met dit laatste dat [eiseres] een kwitantie van die betaling zou opmaken, maar dit nooit heeft gedaan.
5.6.2.
Flexplekken betwist aldus niet c.q. erkent min of meer dat [eiseres] € 16.030,68 voor Flexplekken aan Enexis heeft voorgeschoten, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Hiervan uitgaande maakt [eiseres] jegens Flexplekken in beginsel aanspraak op dit bedrag. De stelling van Flexplekken dat dit bedrag evenwel reeds contant aan [eiseres] is terugbetaald, is door [eiseres] betwist (zie de verklaring van de heer [eiseres] ) en door Flexplekken niet onderbouwd. Het betreft niet meer dan een blote stelling van Flexplekken.
5.6.3.
Gezien het vorenstaande is de vordering om Flexplekken te veroordelen tot het betalen van € 16.030,00 toewijsbaar. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De kantonrechter heeft zich rekenschap gegeven van het feit dat de factuur aan de BV is gericht, maar ook [gedaagde sub 1] heeft hier als huurder te gelden.
wettelijke rente over de energiekosten
5.7.
De vordering om de som van € 16.030,00 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en wel vanaf de vervaldata van de factuur, is zonder toelichting niet te volgen. De kantonrechter zal daarom (ten aanzien van Flexplekken als [gedaagde sub 1] ) in plaats daarvan de wettelijke rente over deze som toewijzen vanaf datum dagvaarden (26 augustus 2025).
buitengerechtelijke kosten
5.8.
[eiseres] vordert [gedaagde sub 1] en Flexplekken te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 15.000,00 aan buitengerechtelijke kosten. [eiseres] baseert dit op artikel 30.1 van de algemene bepalingen (een berekening voor de kosten van 15% over de hoofdsom met een maximum van € 15.000,00). In de dagvaarding is toegelicht dat de berekening ziet op de huurachterstand van € 148.588,35 en daarmee is gemaximeerd. Flexplekken heeft op dit onderdeel geen verweer gevoerd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat Flexplekken (en, wat de verstektoets betreft: ook [gedaagde sub 1] ) heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Daarom zal een bedrag van € 2.260,88, berekend aan de hand van (ook hier: louter) de huurachterstand, worden toegewezen.
proceskosten
5.9.
[gedaagde sub 1] en Flexplekken zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
123,16
(zonder kosten opvolg. adres)
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
1.900,00
(2 punten × € 950,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.619,16
5.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5.11.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verklaart voor recht dat de op 21 september 2018 gesloten huurovereenkomst ter zake de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats] , inclusief de al dan niet daaropvolgend gesloten overeenkomst tot indeplaatsstelling, per 1 maart 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd en tussen [eiseres] en [naam VOF] , alsmede diens vennoten en/of Flexplekken aldus geen huurovereenkomst (meer) bestaat,
6.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Flexplekken hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 148.588,35 aan onbetaald gelaten huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf de respectievelijke vervaldata van de huurpenningen tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Flexplekken hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 16.030,68 uit hoofde van de factuur van Enexis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 26 augustus 2025 tot de dag van volledige betaling,
6.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Flexplekken hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.260,88 aan buitengerechtelijke kosten,
6.5.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Flexplekken hoofdelijk in de proceskosten van € 3.619,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] en Flexplekken niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
veroordeelt [gedaagde sub 1] en Flexplekken hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
NIv