ECLI:NL:RBLIM:2025:13003

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/03/346516 / KG ZA 25-413
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bij ongevallen tijdens internationaal goederenvervoer en de toepassing van Nederlands recht

In deze zaak, die zich afspeelt in het kader van een kort geding, vordert CTW Logistics B.V. een voorschot op schadevergoeding van Dachser Group SE & Co. KG en Zürich Insurance Europe AG. De vordering is gebaseerd op een ongeval dat plaatsvond op 18 maart 2024, waarbij een chauffeur van CTW tijdens het lossen van goederen op het terrein van Dachser in Duitsland werd aangereden door een werknemer van Dachser. De chauffeur raakte hierbij letsel op en werd tijdelijk arbeidsongeschikt, wat leidde tot loondoorbetaling door CTW. CTW stelt Dachser aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden door het uitvallen van haar werknemer. De voorzieningenrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de schade voor CTW zich in Nederland heeft gemanifesteerd. De rechter concludeert dat er onvoldoende bewijs is voor een spoedeisend belang van CTW, waardoor de vorderingen worden afgewezen. CTW wordt veroordeeld in de proceskosten van Dachser c.s.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346516 / KG ZA 25-413
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
in de zaak van
CTW LOGISTICS B.V.,
te Heerlen,
eisende partij,
hierna te noemen: CTW,
advocaat: mr. S.L. Smits-Emons,
tegen

1.DACHSER GROUP SE & CO. KG,

te 87439 Kempten (Duitsland),
2.
ZÜRICH INSURANCE EUROPE AG,
te 60327 Frankfurt am Main (Duitsland),
gedaagde partijen,
hierna (samen) te noemen: Dachser c.s.,
advocaat: mr. S.S. Mollova.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de nagekomen producties 22 en 23 van CTW,
- de mondelinge behandeling van 11 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van CTW.

2.De feiten

2.1.
CTW is een bedrijf dat zich bezighoudt met (internationaal) goederenvervoer over de weg.
2.2.
Dachser is een in Duitsland gevestigd bedrijf dat zich bezighoudt met logistieke dienstverlening, waaronder Europees wegtransport.
2.3.
CTW en Dachser zijn in een raamovereenkomst van 5 september 2011 overeengekomen dat CTW transporten zal uitvoeren voor Dachser tegen vooraf vastgestelde tarieven.
2.4.
In het kader van die raamovereenkomst vond er in opdracht van Dachser ook een transportrit plaats op 18 maart 2024. Tijdens deze transportrit heeft de chauffeur van CTW, de heer [naam chauffeur] (hierna: de chauffeur), een lading in ontvangst genomen in Landgraaf (Nederland) en is hij daarmee naar de vestiging van Dachser in Alsdorf (Duitsland) gereden. Tijdens het lossen van de vrachtwagen in de laad- en loshal op het terrein van Dachser is de chauffeur aangereden door een werknemer in loondienst van Dachser, die op dat moment ook op het terrein reed met een vorkheftruck (hierna: het ongeval). De chauffeur heeft hierbij letsel (aan zijn voet) opgelopen.
2.5.
De chauffeur was ten tijde van het ongeval in loondienst van CTW en is door het ongeval (tijdelijk) arbeidsongeschikt geraakt.
2.6.
CTW heeft tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid (18 maart 2024
tot en met 14 november 2024) het loon van de chauffeur doorbetaald op grond van de op haar rustende loondoorbetalingsverplichting ex art. 7:629 BW. Nadat de chauffeur op 14 november 2024 uit dienst was getreden heeft CTW nog gedurende een aanvullende periode van zes maanden een werkgeversvergoeding aan de chauffeur betaald. De chauffeur is inmiddels weer korte tijd werkzaam bij CTW.
2.7.
CTW heeft Dachser aansprakelijk gesteld voor de schade zij heeft geleden als gevolg van het (door het ongeval) arbeidsongeschikt raken van haar werknemer.
2.8.
Dachser heeft hierop haar bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar Zürich (gedaagde sub 2) ingeschakeld.
2.9.
Gedaagde sub 2 heeft kort voorafgaand aan de mondelinge behandeling van dit kort geding een bedrag van € 5.000,- aan CTW overgemaakt (bij wijze van voorschot) in afwachting van de verdere afhandeling van de schadeclaim van CTW.

3.Het geschil

3.1.
CTW vordert - samengevat - veroordeling van Dachser c.s. tot betaling van een voorschot van primair € 30.000,-, en subsidiair € 25.000,-, op de in totaal door CTW geleden schade.
3.2.
Dachser c.s. voeren verweer. Van een starre houding van de zijde van Dachser c.s. wat betreft het uitkeren van een bedrag aan CTW voor de geleden schade is geen sprake. Er is alleen nog veel onduidelijkheid over de omvang van de geleden schade die door CTW geraamd wordt € 72.305,01 (waaronder een door CTW geclaimd bedrag van € 22.057,61 aan netto doorbetaald loon van maart 2024 tot en met november 2024 en een vrijwillige compensatie na dienstverband van 4.500,-). Dachser c.s. beschikken nog over onvoldoende medische gegevens die de duur van de arbeidsongeschiktheid, en daarmee de noodzaak van de periode van loondoorbetaling van 8 maanden, inzichtelijk maken. Verder betwisten Dachser c.s. ten aanzien van bepaalde schadeposten het causaal verband tussen het ongeval en die posten (waaronder de vrijwillige werkgeversbetaling en de stilstand van een vrachtwagen). Van een in hoge mate aannemelijke geldvordering is volgens Dachser c.s. dan ook geen sprake.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Voorvragen
4.1.
In deze zaak spelen internationale aspecten een rol. Voordat aan een eventuele inhoudelijke beoordeling van dit kort geding kan worden toegekomen dienen daarom eerst een aantal vragen van procedurele aard beantwoord te worden.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt daarbij het navolgende voorop.
4.2.1.
Het gaat in deze zaak niet om de door de chauffeur geleden schade als gevolg van het ongeval, maar om de schade die CTW in haar hoedanigheid van werkgever door het uitvallen van haar chauffeur heeft geleden. Dit dient bij de beantwoording van de procedurele vragen als uitgangspunt te gelden.
4.2.2.
Verder is bij de beoordeling van deze zaak het volgende van belang. Dachser c.s. betwisten weliswaar de omvang van de door CTW geclaimde schade, maar zij betwisten niet dát door CTW schade is geleden door het uitvallen van haar werknemer in de vorm van het enige tijd doorbetalen van loon. Dachser c.s. erkennen verder dat de aanrijding van de chauffeur heeft plaatsgevonden door een fout van een medewerker van Dachser, tijdens een moment van onoplettendheid, bij het besturen van een heftruck (op het bedrijventerrein van Dachser in Duitsland). Niet in geschil is verder dat de chauffeur als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen en een tijd niet inzetbaar was voor CTW. Als onbetwist staat ten slotte vast dat het om door een werknemer van Dachser veroorzaakte schade gaat die Dachser om die reden (in haar rechtsverhouding tot CTW) toegerekend kan worden.
Aansprakelijkheidsgrondslag
4.3.
CTW legt aan haar vorderingen primair een toerekenbare tekortkoming in de nakoming ten grondslag en voert daartoe het navolgende aan. Het ongeval waarbij de chauffeur van Dachser letsel heeft opgelopen heeft plaatsgevonden tijdens het laden en lossen, dat onderdeel uitmaakte van de vervoersovereenkomst. Dachser is volgens CTW tekortgeschoten in de inspanningen die op grond van de vervoersovereenkomst van haar verlangd konden worden, daar waar het het bieden van een veilige omgeving om te laden en lossen betreft. CTW voert verder aan dat de werknemer van Dachser de geldende veiligheidsvoorschriften en veiligheidsnormen niet in acht heeft genomen bij het besturen van de heftruck waar de chauffeur mee is aangereden.
4.4.
Volgens Dachser zijn er geen bepalingen in de vervoersovereenkomst aan te wijzen die door haar niet zijn nagekomen. In de overeenkomst is geen bepaling opgenomen over (te hanteren) veiligheidsnormen. Het ongeval houdt niet direct verband met de tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst. Het enkele feit dat een werknemer van Dachser een werknemer van CTW heeft aangereden, maakt nog niet dat sprake is van schending van een uit de vervoersovereenkomst tussen CTW en Dachser voortvloeiende contractuele verplichting. Het betreft gewoon een situatie waarin een ongeluk op de werkvloer is gebeurd als gevolg van een menselijke fout (tijdens een moment van onoplettendheid) en niet de schending van een veiligheidsnorm. Een dergelijke situatie kan zich op iedere werkvloer voordoen en deze dient te worden gekwalificeerd als onrechtmatige gedraging (van de medewerker van Dachser) jegens de chauffeur/werknemer van CTW. Het vervoerde is bovendien op correcte wijze afgeleverd en Dachser heeft voor betaling voor de geleverde vervoersdiensten zorg gedragen.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet, bij de huidige stand van zaken, binnen het beperkte kader van dit kort geding, in het door CTW aangevoerde, onvoldoende aanknopingspunten voor het kwalificeren van het ongeval als een (mogelijke) toerekenbare tekortkoming van Dachser in de nakoming van de tussen partijen gesloten vervoersovereenkomst.
4.6.
CTW legt subsidiair onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag. Dachser c.s. erkennen dat sprake is van een onrechtmatige daad van een ondergeschikte van Dachser jegens een werknemer van CTW. Niet in geschil is dat deze onrechtmatige daad Dachser in haar hoedanigheid van werkgever valt toe te rekenen. De voorzieningenrechter is, gelet op het geheel van feiten en omstandigheden, voorshands van oordeel dat het ongeval dient te worden gekwalificeerd als onrechtmatige daad die, in de verhouding tussen CTW en Dachser, aan Dachser toegerekend kan worden. Hiervan zal daarom bij de beantwoording van de vraag naar de rechtsmacht en het toepasselijk recht worden uitgegaan.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Is de Nederlandse rechter bevoegd?
4.7.
Gelet op het voorgaande is geen situatie aan de orde waarbij het ten gronde over de aan de vervoersovereenkomst verbonden verplichtingen gaat. Daarom dient voor het beantwoorden van de vraag welke rechter bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen te rade te worden gegaan bij de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (hierna: Brussel I-bis).
4.8.
Artikel 4 van Brussel I-bis bepaalt dat, onverminderd deze verordening, zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel dienen Dachser c.s. in beginsel dus voor de Duitse rechter te worden opgeroepen.
4.9.
In afwijking van de hoofdregel van artikel 4 schept artikel 7 lid 2 van Brussel I-bis een bijzondere (alternatieve) bevoegdheid ingeval van een onrechtmatige daad. Dit bepaalt dat voor verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Dit kan betrekking hebben op zowel de plaats waar de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die de oorzaak is van de schade
(‘Handlungsort’)als de plaats waar de schade is ingetreden
(‘Erfolgsort’).De plaats van het intreden van de schade is de plaats waar de gestelde schade zich concreet voordoet. Het gaat dus om de plaats waar de rechtstreekse (ook wel: initiële) schade zich manifesteert als gevolg van een onrechtmatige gedraging die in het
Handlungsortis verricht. Voor de chauffeur geldt weliswaar dat hij in Duitsland de initiële schade aan zijn lijf (letselschade) heeft geleden, maar dit is voor CTW (in haar hoedanigheid van werkgever) anders. De plaats waar de door CTW geleden initiële vermogensschade is geleden (als gevolg van het uitvallen van haar werknemer) is Nederland. Daar heeft zich immers de schade (zoals loondoorbetaling) gemanifesteerd. Daarom is in deze zaak de Nederlands rechter (mede) bevoegd om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. CTW zal daarom worden ontvangen in haar vorderingen.
Toepasselijk recht
4.10.
De vraag welk recht van toepassing is dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (hierna: Rome II).
4.11.
Artikel 4 lid 1 van Rome II bepaalt dat, tenzij in deze verordening anders is bepaald, op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing is, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen
(lex loci damni). Uit de considerans van Rome II (nummer 17) volgt het volgende. Ingeval van letselschade en vermogensschade moet het land waar het letsel of de materiële schade is opgelopen, gelden als het land waar de schade zich voordoet. In dit geval betreft het door CTW, als gevolg van het uitvallen van haar chauffeur, geleden materiële schade. Deze (vermogens)schade, in ieder geval bestaande uit de doorbetaling van het loon van haar chauffeur, doet zich voor CTW voor in Nederland, waar CTW is gevestigd (en ook het centrum van haar belangen heeft). Op dit geschil is daarom Nederlands recht van toepassing. Dat de schade van de werknemer van CTW (de chauffeur) aan zijn lijf (letselschade) zich voordoet in Duitsland, waar hij het ongeval doormaakte, maakt dit niet anders. Het door Dachser c.s. gehanteerde argument dat het om afgeleide schade gaat – de schade van CTW is een afgeleide van de schade van de chauffeur – volgt de voorzieningenrechter niet, nu het om andere partijen gaat.
Oordeel ten gronde
De toets bij een geldvordering in kort geding
4.12.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Het spoedeisend belang
4.13.
CTW voert ter onderbouwing van het spoedeisend belang aan dat zij als gevolg van het uitblijven van de betaling van schadevergoeding door Dachser c.s. verkeert in een financiële noodsituatie, althans dat zij liquiditeitsproblemen ondervindt, althans dat zij investeringsbeslissingen heeft moeten uitstellen. Dachser c.s. betwisten dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Dat hier sprake van zou zijn, is op geen enkele wijze door CTW met financiële informatie (zoals jaarcijfers of liquiditeitsoverzichten of andere stukken) onderbouwd. Bovendien is volgens CTW inmiddels al geruime tijd verstreken sinds de laatste loondoorbetaling in november 2024 en heeft CTW in die tijd geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een bodemprocedure te starten en op deze wijze door haar eigen nalaten zelf (een eventuele) urgentie gecreëerd. Daarbij komt nog, aldus Dachser c.s., dat CTW bovendien onvoldoende gehoor heeft gegeven aan de herhaalde verzoeken om tot overlegging van alle benodigde medische stukken over te gaan, waardoor veel tijd verloren is gegaan. Ook in dit verband heeft haar eigen nalaten bijgedragen aan het (eventueel) creëren van een (beweerde) noodsituatie.
4.14.
Het verweer van Dachser c.s. slaagt. CTW heeft geen van de door haar aangevoerde stellingen ook maar enigszins met feiten onderbouwd of aannemelijk gemaakt, nog daargelaten of het (eventueel) uit moeten stellen van investeringsbeslissingen kwalificeert als noodsituatie. De voorzieningenrechter ziet zonder enige onderbouwing (althans het begin van enige onderbouwing), die CTW niet heeft gegeven, niet in dat CTW een spoedeisend belang heeft bij de door haar ingestelde onderhavige geldvordering. Er moeten (bijzondere) feiten en omstandigheden worden gesteld, en – zoals in het onderhavige geschil – bij gemotiveerde betwisting voldoende aannemelijk worden gemaakt die tot de conclusie leiden dat een oordeel in een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. CTW heeft dit echter onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu zij het heeft gelaten bij een aantal blote stellingen.
4.15.
Nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat CTW een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling in kort geding, komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. Het gevorderde zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
4.16.
CTW is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dachser c.s. worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.280,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van CTW af,
5.2.
veroordeelt CTW in de proceskosten van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als CTW niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.J.M. Provaas en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.
cb