Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eiseres sub 1] ,
[eiser sub 2],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 16 december 2025,
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Naar aanleiding van onderstaande emailbericht met het tegenvoorstel bericht ik u dat cliënt akkoord is. Concreet betekent dit dat hij in de verdeling geen bedrag aan uw cliënte zal hoeven te voldoen.” [4]
Ik heb namens cliënten in een eerder stadium per emailbericht akkoord gegeven op het initiële voorstel gebaseerd op de bijlage 6 alsmede het afzien van een betaling door client aan uw cliente ivm overbedeling. Er kan dus getekend worden, de notaris kan worden ingeschakeld.”. [5]
du momentdat mr. Delsing namens [gedaagde] op 1 juli 2025 schrijft dat getekend kan worden. Zelf trekt [gedaagde] pas op 26 juli 2025 aan de bel bij mr. Hokken door per e-mail te vragen om verduidelijking van de vaststellingsovereenkomst. Ter zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat mr. Delsing niet met hem heeft gesproken over de vaststellingsovereenkomst, dat hij geen uitleg heeft gekregen daarover en dat mr. Delsing slecht bereikbaar was voor hem. Hoewel betreurenswaardig indien wordt uitgegaan van het relaas van [gedaagde] , is dit onvoldoende om tot de conclusie te komen dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. Voor zover de communicatie tussen mr. Delsing en [gedaagde] over de vaststellingsovereenkomst niet goed zou zijn verlopen – zoals [gedaagde] stelt – ligt dit in de risicosfeer van [gedaagde] en dient dit voor zijn rekening te komen. Immers, uit niets is gebleken dat mr. Delsing [gedaagde] destijds – in ieder geval tot en met 1 juli 2025 – niet op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigde. Hiervoor biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt, temeer nu mr. Delsing nog reageerde op de e-mail van de advocaat van [eisers] van de dag ervóór (30 juni 2025) om voor
“MORGEN 9.00 UUR”te reageren. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat dit het slotakkoord vormde van het door partijen gevoerde debat over de verdeling van de op [overlijdensdatum 1] 2023 opengevallen nalatenschap van erflaatster, gedurende welke periode [gedaagde] grotendeels werd vertegenwoordigd door mr. Delsing en er ook al een bodemprocedure door partijen was gevoerd, waarbij [gedaagde] door mr. Delsing werd bijgestaan. Gelet hierop mochten [eisers] er dan ook gerechtvaardigd op vertrouwen dat het akkoord van mr. Delsing werd gegeven namens [gedaagde] . Pas bij e-mail van 26 juli 2025 van [gedaagde] aan mr. Hokken heeft [gedaagde] te kennen gegeven dat mr. Delsing hem niet langer meer vertegenwoordigt. [7] Nu partijen reeds op 1 juli 2025 wilsovereenstemming hadden bereikt, kunnen hieraan echter geen gevolgen worden verbonden in het licht van hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor heeft overwogen.
issuewas tussen partijen. Eerst ter zitting duikt dit argument op. Zelfs in de brief van 26 juli 2025 van [gedaagde] rept deze er met geen woord over, noch over de betrokkenheid van de vennootschap noch over die van [naam echtgenote] . Ook in het verzoekschrift tot ontslag van [eiser sub 2] als (mede-)executeur is dit punt niet aan de orde. Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter aan dit verweer voorbij. Wat betreft het door [gedaagde] gestelde ontbreken van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de vennootschap bij gebreke van een bestuurder wijst de voorzieningenrechter erop dat (tijdelijke) leegstand in beginsel niet in de weg hoeft te staan aan het verrichten van (rechts)handelingen door een vennootschap c.q. het aangaan van verplichtingen. Via de algemene vergadering van (de nieuwe) aandeelhouders (in het geval van [naam bedrijf 2] : [eiseres sub 1] [8] ) dient dan een nieuwe bestuurder te worden benoemd, waarna de rechtshandeling expliciet of stilzwijgend kan worden bekrachtigd.