Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
personenautovan
[slachtoffer] ,in beslag genomen onder goednummer 3250364 [8] , werd op sporen bemonsterd en hierop werd een aantal dactyloscopische sporen (
vingerafdrukken) aangetroffen, waaronder een vingerafdruk op de ruit van de linker portier aan de bestuurderszijde (AAOC2096NL) en een vingerafdruk op de ruit van het linker achterportier (AARK2145NL). [9] Het resultaat van in het laboratorium verrichte dactyloscopisch vergelijkend onderzoek is dat de vingerafdrukken, aangetroffen op het linker voorportier (SIN AAOC2096NL) en linker achterportier (SIN AARK2145NL-2) van de auto, werden
geïndividualiseerdop de
verdachte [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum 2] 2003. [10]
geconstateerddat er op de
fotobijlagenop pagina 334 en 335
grote deukenin de
personenautovan
[slachtoffer]zichtbaar zijn. [11]
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van
- stelt de volgende
- geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht,
heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
wijst toede vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer]en veroordeelt de verdachte
hoofdelijkom tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen
€ 4.619,86, bestaande uit € 1.619,86 materiële schade en € 3.000 euro immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
10 juli 2024tot aan de dag van de volledige voldoening;
- legt aan de verdachte
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
mr. L. Feuth, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 12 februari 2025.