In deze zaak, die voor de Rechtbank Limburg is behandeld, betreft het een schadestaatprocedure tussen [eiseres] en [gedaagde]. De rechtbank heeft op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin [eiseres] schadevergoeding vorderde van [gedaagde] naar aanleiding van een schietincident dat plaatsvond op 20 augustus 2013. Tijdens dit incident raakte [eiseres] gewond door een kogel die per ongeluk werd afgevuurd door [gedaagde] terwijl hij een vuurwapen aan het demonteren was. De rechtbank had eerder op 14 november 2018 al geoordeeld dat [gedaagde] aansprakelijk was voor de schade die [eiseres] had geleden, maar de vordering tot een voorschot op de materiële schadevergoeding was toen afgewezen omdat [eiseres] onvoldoende bewijs had geleverd voor de diverse schadeposten.
In de huidige procedure vorderde [eiseres] een bedrag van € 28.564,52, vermeerderd met wettelijke rente, en € 5.621,66 aan buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] voerde verweer en stelde dat [eiseres] zelf ook een deel van de schade moest dragen op basis van eigen schuld, zoals bedoeld in artikel 6:101 BW. De rechtbank oordeelde dat het beroep op eigen schuld niet opging, omdat [eiseres] zich niet bewust was van de risico's die aan de situatie verbonden waren. De rechtbank heeft de verschillende schadeposten beoordeeld, waaronder ziekenhuis- en revalidatiekosten, kosten voor huishoudelijke hulp, en verlies van arbeidsvermogen. Uiteindelijk werd een totaalbedrag van € 12.360,50 toegewezen aan [eiseres], te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 augustus 2013. De proceskosten werden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.