ECLI:NL:RBLIM:2025:12725

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 oktober 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/03/335114 / HA ZA 24-452
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming koopovereenkomst en verjaring van de vordering tot verdeling van een woning

In deze zaak vordert eiser, die in België woont, nakoming van een koopovereenkomst met de overleden [naam], waarbij hij stelt haar aandeel in een woning te hebben gekocht. De rechtbank Limburg behandelt de zaak, waarbij de vordering is gebaseerd op een koopovereenkomst die volgens eiser in 1985 zou zijn gesloten. Eiser stelt dat hij de koopsom van 35.000 gulden heeft betaald, maar gedaagden betwisten dit en stellen dat de vordering is verjaard. De rechtbank oordeelt dat de vordering tot nakoming van de koopovereenkomst is verjaard, omdat eiser niet voldoende bewijs heeft geleverd dat de overeenkomst tot stand is gekomen en dat de betaling heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en oordeelt dat, indien de woning zou worden verdeeld, dit moet gebeuren tegen de huidige waarde. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagden, die in totaal € 2.033,00 bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/335114 / HA ZA 24-452
Vonnis van 15 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. J.A.M.W. Snackers-Lutgens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 april 2025,
- de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling door mr. Van Zeijl voorgedragen spreekaantekeningen,
- de brief namens [gedaagden] van 13 mei 2025, waarop door de griffier is gereageerd bij brief van 30 mei 2025,
- de akte van [eiser] ,
- de antwoordakte van [gedaagden]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 4 mei 1977 heeft [eiser] aan [naam] (hierna: [naam] ) in eigendom overgedragen de onverdeelde helft in het woonhuis met erf en verdere aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). Volgens de notariële leveringsakte [1] lag aan de overdracht van de onverdeelde helft van de woning een koopovereenkomst ten grondslag, waarbij de koopprijs van 33.000 gulden ‘volgens verklaring van partijen reeds met elkander is verrekend’. [eiser] en [naam] hadden toentertijd een affectieve relatie.
2.2.
Vanaf medio jaren ’80 van de vorige eeuw, beheert [eiser] de woning, die wordt verhuurd. [eiser] int de huur en betaalt de lasten.
2.3.
Bij brief van 15 augustus 1991 [2] heeft notaris [naam notaris] te [vestigingsplaats] (hierna: de notaris) aan [eiser] het volgende geschreven:
‘Geachte heer [eiser] ,
Zoals verzocht doe ik u bijgaand toekomen ter ondertekening in drievoud door U en Mevr. [naam] de overeenkomst van verkoop en koop van de onverdeelde helft in de eigendom van het pand aan de [adres 1] te [plaats] .
Mag ik U verzoeken dit stuk tezamen met mevrouw [naam] te ondertekenen en mij een exemplaar te retourneren.’
2.4.
Bij brief van 25 september 1991 [3] heeft (een medewerker van) de notaris aan [eiser] het volgende geschreven:
‘Geachte heer [eiser] ,
Van U ontving ik de door U en Mevrouw [naam] getekende koopovereenkomst met betrekking tot de aankoop van de onverdeelde helft van het pand aan de [adres 1] te [plaats] . Deze koopovereenkomst vermeldt echter geen koopprijs. Mag ik deze nog van u vernemen.
Bijgaand doe ik U derhalve ter kennisname toekomen een concept van de notariële akte van overdracht [4] .
Graag verneem ik van U of U met deze ontwerpakte kunt instemmen en verzoek U met mevrouw [naam] een afspraak te arrangeren voor het passeren van de akte te mijnen kantore.’
2.5.
Bij de brief van 25 september 1991 zoals overgelegd in deze procedure is een schriftelijke koopovereenkomst gevoegd, die ziet op de verkoop door [naam] van haar aandeel in de woning aan [eiser] met levering uiterlijk op 1 oktober 1991. Het bedrag van de koopprijs is niet ingevuld. Wel vermeldt de overeenkomst het volgende:
‘door koper zijn aan verkoper gedurende de periode 1979 tot heden betalingen gedaan tot een totaalbedrag van de hiervoor genoemde koopprijs, welk totaalbedrag de verkoper verklaart van koper te hebben ontvangen en koper deswege hierbij volledige kwijting te verlenen’
Er staat één handtekening onder de schriftelijke koopovereenkomst, en wel de volgende:
2.7.
In februari/maart 2021 is er per e-mail overleg gevoerd tussen een adviseur van [eiser] ( [naam adviseur] , hierna: [naam adviseur] ) en een medewerker van VHN Notarissen te Maastricht ( [naam medewerker] , hierna: ‘ [naam medewerker] ’) [6] over – kort gezegd – een mogelijke overdracht van het aandeel van [naam] in de woning aan [eiser] . Op 2 februari 2021 stuurt [naam medewerker] een e-mail aan [naam adviseur] en schrijft daarin onder andere het volgende:
‘De heer [eiser] heeft eerder aan mijn collega (...) te kennen gegeven de koopprijs aan mw. [naam] te willen verrekenen met de door hem gedane investeringen in het pand. Om dit vorm te geven had ik graag een lijstje gehand van de betreffende bedragen (...)’
[naam adviseur] antwoordt – voor zover nu relevant – op 20 april 2021 als volgt:
‘Na enig zoekwerk en navraag kan ik u het volgende berichten. Ik heb mijn bevindingen nog aan [eiser] voorgelegd en met hem besproken om zoveel mogelijk feitelijke onjuistheden te voorkomen.
‘ [eiser] heeft in 1985 de “economische eigendom” van haar aandeel in het pand [adres 1] van mevrouw [naam] teruggekocht.
Dat is gebeurd tegen betaling van circa € 35.000. Betalingsbewijzen zijn er niet (meer).
Mevrouw [naam] kan en wil dat bevestigen.
(...)
De hele transactie m.b.t. [adres 1] is bedoeld geweest om mevrouw [naam] destijds te helpen in haar privé omstandigheden van dat moment.’
In reactie op laatstgenoemde e-mail, laat [naam medewerker] op 21 mei 2021 aan [naam adviseur] dat hij aan de slag gaat om het leveringsdossier voor te bereiden, zodat binnen afzienbare tijd over kan worden gegaan tot passeren.
2.8.
Op [overlijdensdatum] 2023 is [naam] overleden. [gedaagden] zijn haar kinderen en erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.9.
Bij brief van 24 april 2024 [7] heeft de advocaat van [eiser] zich tot [gedaagden] c.s. gewend. Op basis van de stelling dat [eiser] [naam] ‘ruim dertig (30) jaar geleden heeft uitgekocht’ door betaling van (ongeveer) 35.000 gulden, zijn [gedaagden] namens [eiser] verzocht om mee te werken aan de levering van het in de nalatenschap van [naam] vallende aandeel in de woning aan [eiser] . [gedaagden] hebben aan dat verzoek niet voldaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank:
1. voor recht verklaart dat [eiser] het aandeel van [gedaagden] [8] in de woning van haar heeft gekocht en dat hij de koopsom al heeft voldaan,
2. primair: bepaalt dat het vonnis in de plaats komt van de notariële leveringsakte zodat het aandeel van [gedaagden] in de woning wordt verworven door [eiser] ,
3. subsidiair: [gedaagden] veroordeelt om mee te werken aan de levering van hun aandeel in de woning aan [eiser] ,
4. aan de veroordelingen een dwangsom verbindt,
5. althans een beslissing neemt die de voorzieningenrechter [9] in goede justitie vermeent te behoren,
6. [gedaagden] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Toepasselijk recht
4.1.
Omdat [eiser] in België woont, heeft deze zaak een internationale component, in die zin dat moet worden ingegaan op vraag welk recht van toepassing is. [eiser] baseert zijn vordering op een koopovereenkomst aangaande het aandeel van [gedaagden] in een in Nederland gelegen onroerend goed. Deze vordering moet op grond van artikel art. 4 lid 1 sub c van de Rome-I verordening worden beoordeeld naar Nederlands recht. Zoals hierna zal blijken wenst [eiser] eventueel ook tot een verdeling van de woning te komen. Die vordering moet op grond van artikel 10:127 BW ook naar Nederlands recht worden beoordeeld.
Ontvankelijkheid
4.2.
[gedaagden] stellen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen omdat hij hen niet in hun hoedanigheid van vereffenaars van de nalatenschap van [naam] . Uit de dagvaarding blijkt echter voldoende duidelijk dat de vorderingen zich wel op [gedaagden] in die hoedanigheid richten. De enkele omstandigheid dat dit niet expliciet is vermeld in de kop van de dagvaarding, doet daar niet aan af. [eiser] is ontvankelijk in zijn vorderingen.
Nakoming koopovereenkomst
4.3.
[eiser] heeft zijn vorderingen aanvankelijk uitsluitend gebaseerd op zijn stelling dat hij met [naam] een koopovereenkomst heeft gesloten aangaande de (terug)verkoop van haar aandeel in de woning. Hij verwijst daartoe naar de contacten met de notaris(sen) in 1991 en 2021, de door [naam] getekende handgeschreven verklaring die door [eiser] een kwitantie wordt genoemd en wordt gedateerd op 30 oktober 1990 en de beweerdelijk door [naam] in 1991 getekende schriftelijke koopovereenkomst. Dat daarin het bedrag van de koopprijs niet wordt vermeld, is niet relevant omdat de schriftelijke koopovereenkomst ook vermeldt dat de koopprijs voldaan is, aldus [eiser] .
4.4.
[gedaagden] betwisten dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en dat [eiser] de door hem gestelde betaling aan [naam] heeft verricht. Zij wijzen erop dat [eiser] zelf stelt dat de schriftelijke conceptkoopovereenkomst, anders dan de notaris schreef, niet door hem is getekend en dat die overeenkomst geen koopprijs vermeldt. Ook stellen zij dat de notaris kennelijk zelf geen contact met [naam] heeft gehad. Volgens [gedaagden] is bovendien niet gebleken dat de ook volgens de notaris onvolledig schriftelijke conceptkoopovereenkomst is, op enig moment is aangevuld. Ook stellen zij niet te kunnen verifiëren of de handtekening onder de schriftelijke conceptkoopovereenkomst van [naam] is en voeren aan dat deze in ieder geval niet op de juiste plek is gezet, niet is gedateerd en niet is voorzien van de volledige naam van de ondertekenaar. Al met al kan aan de hand van de conceptovereenkomst niet worden vastgesteld wat de wil van [naam] terzake was, aldus [gedaagden] Zij wijzen erop dat de notaris vervolgens kennelijk geen aangevulde schriftelijke koopovereenkomst heeft ontvangen en er ook geen levering heeft plaatsgevonden. De e-mailwisseling in februari 2021 draagt volgens [gedaagden] ook niet bij aan het bewijs van de stellingen van [eiser] , onder meer omdat dit slechts een weergave van de toen geuite mening van [eiser] betreft terwijl [naam adviseur] euro’s en guldens door elkaar lijkt te halen en er volgens [gedaagden] andere data worden genoemd dan door [eiser] elders in de procedure worden genoemd. De door [eiser] aangehaald ‘kwitantie’ moet door [gedaagden] gedateerd worden op 30 oktober 1992 en past daarom niet in het verhaal van [eiser] dat (in ieder geval) in 1991 de volledige koopsom was voldaan. Volgens [gedaagden] duidt het stuk op een terugbetaling van door [naam] aan [eiser] geleend geld ten behoeve van het in het stuk genoemde pand van [eiser] aan het [adres 2] te [plaats] . Overkoepelend merken [gedaagden] op dat niet verklaard wordt waarom er geen levering heeft plaatsgevonden als al meer dan dertig jaar geleden de door [eiser] gestelde koopovereenkomst zou zijn gesloten.
4.5.
Gelet op het hiervoor vermelde, kan het bestaan van de door [eiser] gestelde koopovereenkomst op dit moment niet worden aangenomen. [gedaagden] hebben de stellingen van [eiser] daarover gemotiveerd betwist en daarbij deels gewezen op zaken die nog opgehelderd zouden moeten worden voordat het standpunt van [eiser] gevolgd zou kunnen worden. Er ligt immers geen bewijsstuk waaruit zonder meer volgt dat er een overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, hoe die precies luidde. De contacten met de notarissen hebben, voor zover nu te overzien, enkel met [eiser] plaatsgevonden zodat de bewijswaarde daarvan beperkt is. Dit nog afgezien van het feit dat in de stukken die te maken hebben met die contacten en in de brief namens [eiser] van 24 april 2024 aanwijzingen te vinden zijn dat door of namens [eiser] mogelijk niet altijd eenduidig is verklaard over het moment van het sluiten van de overeenkomst (1985 of 1991), het moment van betaling van de koopsom (tot of in 1985 of tot 1990) en de wijze van betaling (uitkering aan [naam] of investering in pand). Ook speelt een rol dat er geen duidelijke verklaring is gegeven waarom er geen levering heeft plaatsgevonden als de verkoop wel was overeengekomen en de koopsom was betaald, zeker gegeven het feit dat de notarissen in 1991 en in 2021 er klaarblijkelijk klaar voor waren. De verklaring van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling dat men het heeft laten versloffen, kan best kloppen maar draagt niet bij aan de onderbouwing van zijn standpunt. Om dat standpunt in rechte te laten vaststellen, zou [eiser] daarom op aanvullende bewijslevering aangewezen zijn.
4.6.
De rechtbank zal echter geen bewijsopdracht verstrekken, omdat het – meer verstrekkende – verweer van [gedaagden] dat een eventuele vordering tot nakoming van de gestelde koopovereenkomst is verjaard, slaagt.
4.7.
Afgaande op het standpunt van [eiser] in deze procedure zou de koopovereenkomst ergens in 1985 zijn gesloten. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat de daaruit voortvloeiende vordering van [eiser] onmiddellijk opeisbaar zou zijn geweest, wat zou hebben betekend dat de verjaringstermijn onmiddellijk is gaan lopen. Behoudens stuiting is die verjaringstermijn – ook rekening houdend met het overgangsrecht in verband met de invoering van het huidige BW – verstreken. Als zou worden aangenomen dat de gestelde overeenkomst toch in 1991 zou zijn gesloten (of door de erkenning van een vordering tot nakoming van een eerder gesloten overeenkomst toen stuiting heeft plaatsgevonden), is dat ook zo.
4.8.
[eiser] heeft weliswaar gesteld dat een verjaring is gestuit, maar heeft dat onvoldoende onderbouwd. Stuiting zou door erkenning door [naam] hebben plaatsgevonden hebben, en wel tijdens de gesprekken die [eiser] beweerdelijk op maandelijkse basis had met [naam] . In die gesprekken zou aan de orde zijn gekomen dat ‘de notaris nog eraan te pas diende te komen’ [10] . Als dat zo is besproken, is dat echter onvoldoende om te concluderen dat [naam] daarmee het recht erkende zoals [eiser] dat nu inroept. Tijdens de mondelinge behandeling is nog aangehaald dat [naam] [eiser] zou hebben gecontacteerd toen zij door de gemeente Maastricht werd aangeschreven als eigenaar en bij [eiser] zou hebben aangedrongen op afwikkeling via de notaris. Daarvoor geldt hetzelfde: als [naam] dat zou hebben gezegd, kan daaruit niet worden afgeleid dat zij heeft erkend dat zij haar aandeel in de woning reeds voor 35.000 gulden had verkocht aan [eiser] . Dit alles nog afgezien van het feit dat de gestelde momenten van erkenning door [eiser] niet concreet in de tijd zijn geplaatst, zodat ook niet kan worden beoordeeld of dat voorafgaand aan het verstrijken van de verjaringstermijn zou hebben plaatsgevonden. Omdat hetgeen [eiser] in dit kader stelt, dus onvoldoende is voor het beroep op stuiting, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat een eventuele aanspraak van [eiser] is verjaard. [eiser] heeft gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [gedaagden] een beroep op verjaring kunnen doen, maar hij wordt daarin niet gevolgd. [eiser] voert aan dat hij ingeval van verjaring de koopsom ‘voor niets’ heeft betaald terwijl van benadeling aan de zijde van [naam] geen sprake zou zijn. Ook afgezien van het feit dat niet vaststaat dat [eiser] aan [naam] een koopsom heeft betaald, is het door hem genoemde gevolg er een die onlosmakelijk met het fenomeen verjaring verbonden is. De wetgever heeft er dus voor gekozen en acceptabel geacht dat na het verstrijken van een verjaringstermijn een prestatie is geleverd waarvoor geen tegenprestatie meer verkregen wordt.
4.9.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de vorderingen die zijn gebaseerd op het nakomen van de gestelde koopovereenkomst, moeten worden afgewezen. Gegeven dat feit heeft [eiser] geen belang bij de onder 1. gevorderde verklaring voor recht, zodat ook die vordering wordt afgewezen.
Verdeling
4.10.
Tijdens de mondelinge behandeling een aanvullende grondslag aangevoerd. Hij stelt – voor zover nodig – te vorderen dat de woning wordt verdeeld, in die zin dat de woning aan [eiser] wordt toegedeeld waarbij de daar tegenover staande vergoeding voor [gedaagden] geacht moet worden reeds te zijn voldoen met hetgeen [eiser] (beweerdelijk) krachtens de gestelde koopovereenkomst aan [naam] zou hebben voldaan. Omdat [gedaagden] pas tijdens de mondelinge behandeling met deze stelling zijn geconfronteerd en om [eiser] de gelegenheid te geven dat deugdelijk uit te werken, is de zaak verwezen voor akte aan de zijde van [eiser] , te volgen door een antwoordakte van [gedaagden]
4.11.
[gedaagden] hebben er op zich terecht op gewezen dat [eiser] in zijn akte geen wijziging van eis heeft geformuleerd, in die zin dat hij het petitum van zijn vordering heeft gewijzigd. Dit terwijl dat petitum was toegesneden op de aanvankelijk aangevoerde grondslag. De rechtbank is echter van oordeel dat de bij dagvaarding ingestelde vorderingen met inachtneming van hetgeen daarna is gesteld ook kunnen – en moeten - worden begrepen als strekkende tot het uitspreken van de verdeling van de woning, in die zin dat deze wordt toegedeeld aan [eiser] zonder dat hij een (aanvullende) uitkering uit overbedeling hoeft te doen aan [gedaagden] Op basis van deze uitleg van de vordering, zal worden beslist. Omdat [eiser] zijn vordering expliciet beperkt tot de toedeling hem zonder verdere uitkering en [gedaagden] geen vordering tot verdeling hebben ingesteld, zal de beoordeling zich beperken tot de vraag of de vordering zoals ingesteld door [eiser] kan worden toegewezen. Het bepalen van de verdeling anderszins past naar het oordeel van de rechtbank niet bij wat de partijen mogen verwachten naar aanleiding van het gevoerde debat.
4.12.
Ingeval van verdeling geldt als hoofdregel dat voor de waardering van het te verdelen goed wordt aangesloten bij de waarde op het moment van verdeling. De vordering van [eiser] is alleen toewijsbaar als van die hoofdregel wordt afgeweken. Niet in geschil is immers dat, ook als zou worden aangenomen dat [eiser] ter zake al 35.000 gulden heeft betaald, toedeling tegen de huidige waarde zou leiden tot een forse vordering van [gedaagden] op [eiser] op grond van overbedeling.
4.13.
[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat hij tienduizenden guldens in het pand heeft geïnvesteerd om het geschikt te maken voor verhuur en daarnaast aan [naam] 35.000 gulden heeft betaald. Het druist – aldus [eiser] – tegen het gevoel van rechtvaardigheid in als hij nu nogmaals zou moeten betalen. Een ander oordeel zou betekenen dat [gedaagden] ongerechtvaardigd worden verrijkt ter hoogte van de helft van de waarde van de woning. [eiser] zou in verbintenisrechtelijke zin als enige rechthebbende op de woning gezien moeten worden, ook gelet op de afspraken tussen [eiser] en [naam] die volgens [eiser] maken dat alleen hij materieel en economisch belang in de woning heeft. Dat volgt volgens [eiser] onder andere uit het feit dat hij zich met instemming van [naam] altijd als economisch eigenaar heeft gedragen en [naam] nooit aanspraken kenbaar heeft gemaakt. Integendeel, zij heeft door het tekenen van de kwitantie en de schriftelijke koopovereenkomst te kennen gegeven dat zij geen aanspraken claimde. [eiser] heeft ook altijd de inkomstenbelasting over de woning betaald en alle lasten gedragen.
4.14.
[gedaagden] hebben aangevoerd dat niet vaststaat dat de door [eiser] gestelde investeringen in het pand zijn gedaan en stellen dat dit standpunt ook niet deugdelijk is onderbouwd. Ook wijzen zij erop dat [eiser] steeds de huur van het pand heeft geïnd. Dit was volgens hen in lijn met de afspraak dat het aandeel van de woning voor [naam] (alleen) een oudedagsvoorziening was. Het staat volgens [gedaagden] bovendien vast dat er geen betaling aan [naam] is gedaan in het kader van de verdeling van de woning, aangezien niet in geschil is dat [eiser] en [naam] geen verdelingsafspraken hebben gemaakt. Het beroep op ongerechtvaardigde verrijking gaat volgens [gedaagden] niet op omdat [eiser] niet duidelijk zou hebben gemaakt dat en in welke mate hij verarmd is. De door [eiser] gestelde afspraken worden door betwist, waarbij zij er onder meer op wijzen dat de overdracht van het aandeel van [naam] in de woning nooit heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft de (relevantie van) de gestelde ondertekening van de conceptverkoopovereenkomst en de ‘kwitantie’ wordt verwezen naar het verweer naar aanleiding van de oorspronkelijk gestelde grondslag.
4.15.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de beoordeling van de vordering die strekt tot verdeling van de woning, zodat argumenten ontleend aan het bestaan en uitvoering van een koopovereenkomst in dit kader geen rol spelen. Verder geldt dat als [eiser] heeft geïnvesteerd in de woning, daar in het kader van de verdeling rekening mee wordt gehouden. Een reden om af te wijken van de hoofdregel is het niet. Datzelfde geldt voor het geval waarin kan worden vastgesteld dat [eiser] het oog op de verkrijging van het aandeel van [naam] al een bedrag (35.000 gulden?) aan haar heeft betaald. Dat [eiser] alle lasten heeft betaald is ook geen reden om af te wijken van de hoofdregel, zeker gegeven het feit dat vaststaat dat hij ook alle huur heeft ontvangen. De rechtbank is, tot slot, van oordeel dat geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [naam] onvoorwaardelijk heeft afgezien van een aanspraak op de waarde van de woning die correspondeert met haar aandeel daarin. Dat [eiser] de woning feitelijk exploiteerde – en daar tegenover de opbrengsten ontving – is daarvoor onvoldoende. Het is immers zeer wel mogelijk dat [naam] om haar moverende redenen enerzijds zich de exploitatie van de woning niet wilde aantrekken en (dus) geen aanspraak claimde op de opbrengst ervan en anderzijds haar aanspraak op de waarde van haar eigendomsaandeel wilde behouden. Niet valt in te zien dat [gedaagden] bij het vasthouden aan de hoofdregel en na verrekening van eventuele investeringen van [eiser] en een mogelijk verrichte betaling aan [naam] vooruitlopend op de overdracht van haar aandeel, ongerechtvaardigd zouden worden verrijkt.
4.16.
De slotsom is dat, indien de woning zou worden verdeeld, dat geschiedt tegen de waarde op het moment van verdeling. Onder die omstandigheden is de vordering van [eiser] op dat punt niet toewijsbaar.
Proceskosten
4.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Anders dan [gedaagden] stellen is er geen aanleiding om [eiser] te veroordelen in de werkelijke proceskosten. Niet is gebleken dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn recht om zijn vordering aan de rechter voor te leggen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
1.535,00
(2,5 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.033,00
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.033,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op
15 oktober 2025.

Voetnoten

1.Productie 2, bijlage 1 van [eiser]
2.Productie 2, bijlage 4 van [eiser]
3.Productie 2, bijlage 3 van [eiser]
4.Productie 2, bijlage 6 van [eiser]
5.Productie 2, bijlage 5 van [eiser]
6.Productie 2, bijlage 7 van [eiser]
7.Productie 2 van [eiser]
8.Bedoeld zal zijn: [naam]
9.Bedoeld zal zijn: rechtbank
10.Randnummer 23 van de dagvaarding