ECLI:NL:RBLIM:2025:12684

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
11408256 \ CV EXPL 24-5767
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van restant facturen in consumentenkoop met verjaringseis

In deze zaak heeft Sefe Energy Limited (hierna: Sefe) een vordering ingesteld tegen Gazprom Energy (hierna: [gedaagde]) voor de betaling van een restant bedrag van € 5.510,41, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling tot betaling van € 500,00. De procedure is gestart na een verstekvonnis van 14 augustus 2019, waarbij [gedaagde] was veroordeeld tot betaling van een deel van de openstaande facturen. Sefe heeft in deze procedure de resterende vordering ingediend, maar [gedaagde] betwist de overeenkomst en stelt dat de vordering is verjaard.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat het verstekvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, wat betekent dat de beslissingen uit dat vonnis bindend zijn voor beide partijen. [gedaagde] heeft niet tijdig gebruik gemaakt van de mogelijkheden om tegen het verstekvonnis op te komen, waardoor de kantonrechter oordeelt dat er een overeenkomst heeft bestaan voor de levering van energie.

Echter, [gedaagde] heeft zich beroepen op verjaring van de vordering. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Sefe niet heeft aangetoond dat de verjaringstermijn op rechtsgeldige wijze is gestuit. De correspondentie die Sefe heeft overgelegd, is niet naar het juiste e-mailadres van [gedaagde] gestuurd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de vordering tijdig is gestuit. Gezien deze omstandigheden heeft de kantonrechter de vorderingen van Sefe afgewezen en Sefe veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11408256 \ CV EXPL 24-5767
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
SEFE ENERGY LIMITED, voorheen genaamd
GAZPROM ENERGY,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eisende partij,
hierna te noemen: Sefe,
gemachtigde: Flanderijn gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde], voorheen handelend onder de naam
[handelsnaam],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. S. Ikiz.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- - de dagvaarding met producties 1 en 2
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek met productie 3 tot en met 44
- de conclusie van dupliek met één productie
- de akte uitlating van Sefe over de eerst bij conclusie van dupliek in het geding gebrachte productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij verstekvonnis van 14 augustus 2019 onder zaaknummer 7932372 CV EXPL
19-5138 van deze rechtbank is [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 500,00, vermeerderd met de contractuele rente daarover vanaf 9 juli 2019 tot de dag van volledige betaling, alsmede veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 278,18. Sefe had in die procedure € 5.115,28 aan hoofdsom, € 630,76 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten en € 79,78 aan vervallen rente te vorderen, maar heeft haar vordering toen beperkt tot € 500,00 onder reservering van haar recht op invordering van het restant. De onbetaald gelaten facturen van in totaal € 5.115,28 hebben betrekking op de periode mei 2018 tot en met september 2018.
2.2.
Op 2 december 2019 is beslag gelegd ten laste van [gedaagde] onder haar werkgever.
2.3.
Er is nadien in totaal € 850,25 betaald (op 28 februari 2020 en 27 maart 2020). Volgens Sefe zijn de betalingen verricht door EW Cleaning Operations B.V., de werkgever van [gedaagde] .
2.4.
Omdat betaling van de restant facturen uitbleef, heeft Sefe [gedaagde] op 31 oktober 2024 gedagvaard in onderhavige procedure voor de restant vordering.

3.Het geschil

3.1.
Sefe vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van
€ 5.510,41, bestaande uit € 5.115,28 aan hoofdsom, € 630,76 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten en € 614,62 aan vervallen wettelijke handelsrente, waarop het reeds betaalde bedrag van € 850,25 in mindering strekt, vermeerderd met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde] betwist dat zij een overeenkomst met Sefe heeft gesloten. Het in de overeenkomst vermelde e-mailadres en telefoonnummer zijn van haar ex-man. Voor zover Sefe wel een vordering op haar heeft, stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat de (restant)vordering is verjaard.
4.2.
Voordat de kantonrechter op het verweer van [gedaagde] in kan gaan, dient hij vast te stellen in hoeverre hij dit verweer kan beoordelen. Sefe heeft immers gesteld dat er sprake is van gezag van gewijsde en een beroep gedaan op de bindende kracht van het verstekvonnis op grond van artikel 236 Rv. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
4.3.
Artikel 236 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek erkend dat het tegen haar gewezen verstekvonnis inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. Dit betekent dat de beslissingen die volgen uit dit vonnis bindend zijn tussen partijen. Deze bindende kracht geldt ook in andere procedures tussen dezelfde partijen.
4.4.
[gedaagde] heeft diverse mogelijkheden gehad om zich tegen de stellingen van Sefe te verweren, namelijk door het voeren van verweer in de (verstek)procedure of door het instellen van verzet. Zelfs nadat het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan had zij de mogelijkheid om een vordering tot herroeping in te stellen zoals bedoeld in artikel 382 Rv. Zij heeft echter van geen van deze mogelijkheden gebruik gemaakt. Het is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen om vervolgens in een andere dan de geëigende procedure op te komen tegen een uitspraak die onherroepelijk is. Daarom moet er in deze procedure uitgegaan worden dat tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan voor de levering van energie op het verbruiksadres waaruit betalingsverplichtingen voortvloeien voor [gedaagde] zoals beslist in het eerdere vonnis, ondanks dat [gedaagde] in deze procedure heeft gesteld dat zij geen overeenkomst met Sefe heeft gesloten.
4.5.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of het beroep van [gedaagde] op verjaring van de vordering slaagt. [gedaagde] stelt dat de door Sefe overgelegde (stuitings)brieven en e-mails haar niet hebben bereikt, nu deze naar de e-mailadressen van haar ex-man en zoon zijn gestuurd en naar een voor haar onbekende derde ( [naam] van lse advocatuur). [gedaagde] betwist de brief van 11 augustus 2020 te hebben ontvangen. Daarmee beroept zij zich op de ontvangsttheorie van artikel 3:37 lid 3 BW.
4.6.
Op grond van artikel 3:307 BW verjaart de vordering van Sefe door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag die volgt op de dag waarop de vordering opeisbaar is. Deze termijn van vijf jaar kan worden gestuit. Als die termijn is gestuit, begint de termijn weer opnieuw voor vijf jaar te lopen. De vordering van Sefe is meer dan vijf jaar oud, zodat de vordering in beginsel is verjaard, behoudens in het geval Sefe de verjaringstermijn op rechtsgeldige wijze tijdig heeft gestuit. Het executoriaal derdenbeslag speelt in deze context geen rol, want kan alleen stuitende werking hebben voor zover het gaat om - hier niet aan de orde zijnde - verbintenissen voortvloeiende uit het verstekvonnis. In het eerste lid van artikel 3:317 BW staat dat de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis, zoals in dit geval aan de orde is, kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Artikel 3:37 lid 3 BW bepaalt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt.
4.7.
Het ligt op de weg van Sefe om feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat haar vordering op [gedaagde] tijdig en op rechtsgeldige wijze is gestuit. Sefe heeft niet betwist dat het e-mailadres van [e-mailadres] is. De door Sefe in het geding gebrachte correspondentie is verstuurd naar andere e-mailadressen en niet naar voormeld e-mailadres, zodat niet is komen vast te staan dat deze correspondentie [gedaagde] heeft bereikt. Gelet op het verweer van [gedaagde] is evenmin komen vast te staan dat [naam] destijds de advocaat van [gedaagde] was en dat op haar verzoek correspondentie naar hem gestuurd is.
4.8.
De door Sefe op 11 augustus 2020 aan (het woonadres van) [gedaagde] beweerdelijk verzonden brief behelst een verklaring die gericht was op het intreden van een rechtsgevolg: de stuiting van een lopende verjaring. Uit artikel 3:37 lid 3 BW volgt dat een in een brief besloten liggende verklaring van Sefe slechts haar werking kan hebben gehad indien de brief [gedaagde] heeft bereikt. De afzender (Sefe) die zich beroept op het rechtsgevolg van de door haar tot de ontvanger ( [gedaagde] ) gerichte verklaring, dient te bewijzen dat deze verklaring de ontvanger (tijdig) heeft bereikt, of dat het niet (tijdig) bereiken het gevolg is van een voor rekening van de ontvanger komende omstandigheid (als in art. 3:37 lid 3 BW vermeld).
4.9.
Sefe heeft in het geheel niet gereageerd op de betwisting van de ontvangst. Het had op de weg van Sefe gelegen om specifieke feiten rondom de verzending en ontvangst te stellen. Sefe heeft niets gesteld over de (wijze van) verzending en geen verzend- c.q. ontvangstbewijs in het geding gebracht. Ook heeft Sefe geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. Dat heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de brief van 11 augustus 2020 heeft ontvangen, zodat die brief niet de verjaring van de vordering heeft gestuit. Bij gebreke van overige stuitingsbrieven, brengt het vorenstaande mee dat de vordering op het moment van dagvaarden op 31 oktober 2024 al was verjaard.
De vorderingen van Sefe zullen dan ook worden afgewezen. Nu het beroep op verjaring slaagt, behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer.
4.10.
Sefe wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
813,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt Sefe in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Sefe niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
CJ