ECLI:NL:RBLIM:2025:12322

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/2447
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking ontheffing nachtwinkel op basis van Wet Bibob en verordening wegens ernstig gevaar en slecht levensgedrag

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg op 12 december 2025, is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. De zaak betreft de intrekking van een ontheffing voor het exploiteren van een nachtwinkel, verleend op 1 april 2022, op basis van de Wet Bibob en de Verordening Winkeltijden Maastricht 2015. Verzoekers, die de ontheffing in 2022 hadden verkregen, voerden aan dat de intrekking onterecht was en dat zij niet geweigerd hadden om het Bibob-formulier in te vullen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders van Maastricht voldoende gronden had om de ontheffing in te trekken, waaronder de weigering om gegevens aan te leveren voor het Bibob-onderzoek en het bestaan van politieregistraties die duiden op slecht levensgedrag. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen had en dat de intrekking van de ontheffing niet onevenredig was. De gevolgen van de intrekking voor de bedrijfsvoering van verzoekers werden weliswaar als ingrijpend ervaren, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de openbare orde en veiligheid zwaarder woog. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van vergunninghouders in het kader van de Wet Bibob en de noodzaak om gegevens tijdig en volledig aan te leveren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2447
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , [naam 2] en [naam bedrijf], uit [plaatsnaam] , verzoekers
(gemachtigde: mr. J.H.P. Hardy),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, het college
(gemachtigde: mr. M.C.W. Ploum en mr. A. Badaljan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de ontheffing verleend voor het exploiteren van een nachtwinkel. Verzoekers zijn het niet eens met de intrekking. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan.
1.1. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af, omdat het bezwaar van verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 1 april 2022 is aan verzoekers een ontheffing verleend voor het exploiteren van een nachtwinkel.
2.1. Op 30 april 2025 heeft het college het voornemen genomen tot intrekking van de ontheffing. Verzoekers hebben op 19 mei 2025 hun zienswijze op het voornemen gegeven.
2.2. Met het besluit van 17 september 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de ontheffing ingetrokken. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
2.3. Verzoekers hebben op 1 december 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.4. De minister heeft op 1 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.5. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar van verzoekers een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoekers.
Waar gaat deze zaak over?
4. Op 1 april 2022 is aan verzoekers een ontheffing verleend als bedoeld in artikel 6 van de Verordening Winkeltijden Maastricht 2015 (de Verordening). Deze ontheffing houdt in dat de winkel van verzoekers geopend mag zijn op maandag tot en met zaterdag van 06:00 tot 02:00 uur en op zon- en feestdagen van 12:00 tot 02:00 uur. Deze ontheffing is verleend voor de duur van 5 jaar en eindigt op 31 maart 2027.
4.1. Op 30 april 2025 heeft het college aan verzoekers kenbaar gemaakt de verleende ontheffing in te trekken.
4.2. Het college heeft met het bestreden besluit van 17 september 2025 de ontheffing ingetrokken per 24 september 2025. Naar aanleiding van informatie van het college en informatie verkregen vanuit het RIEC is het college een onderzoek in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (de Wet Bibob) gestart. [1] Verzoekers hebben volgens het college herhaaldelijk geweigerd gegevens aan te leveren in het kader van dit onderzoek. Deze (herhaalde) weigering moet worden aangemerkt als een ‘ernstig gevaar’. Daarnaast is er volgens het college sprake van feiten en omstandigheden, gebleken uit het openbronnen- en antecedentenonderzoek, op basis waarvan moet worden aangenomen dat intrekking wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing op grond van de Verordening is vereist. Dit betekent dat verzoekers de winkel met ingang van 24 september 2025 niet meer mogen openen in de nachtelijke uren zoals aangegeven in de ontheffing. De winkel mag wel als reguliere detailhandel worden geëxploiteerd (dagelijks van 06.00 tot 22:00 uur en op zondag van 12:00 tot 18:00 uur).
Wat zijn de standpunten van verzoekers?
5. Verzoekers voeren aan dat zij niet geweigerd hebben om het Bibob-formulier volledig in te vullen en gegevens te verstrekken. Door een misverstand zijn de gegevens niet tijdig aangeleverd. Nu inmiddels alle stukken zijn ingediend, is van een weigering ook geen sprake. Verder voeren verzoekers aan dat het college ten onrechte heeft overwogen dat ze niet van onbesproken gedrag zijn. De politieregistraties zijn niet onderbouwd met stukken en de samenhang van de registraties en het exploiteren van de nachtwinkel ontbreekt. Ook zijn verzoekers niet veroordeeld of strafrechtelijk vervolgd. Verder zijn er geen fiscale delicten gepleegd en wisten verzoekers niet dat zij de boete moesten aangeven op het formulier. Het college had naar de mening van verzoekers moeten onderzoeken of volstaan had kunnen worden met een minder ingrijpend middel. Volgens verzoekers is er namelijk geen sprake van een ernstig gevaar waardoor een intrekking onevenredig is. Het bestreden besluit is ook onevenredig omdat het intrekken van de ontheffing onomkeerbare gevolgen heeft. De nachtwinkel kan niet blijven bestaan door omzetverlies en door inkomensverlies worden ook verzoekers geraakt. Daarnaast is er onvoldoende rekening gehouden met de werknemers die hun baan verliezen. Verzoekers hebben vanaf 2015 zonder incidenten de nachtwinkel en zij vervullen een maatschappelijke functie. Ten slotte vinden verzoekers de begunstigingstermijn van 7 dagen erg kort omdat het niet mogelijk is om binnen deze termijn een wezenlijk deel van de onderneming te sluiten en arbeidsovereenkomsten te beëindigen.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
6. De voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6.1. Volgens verzoekers is het spoedeisend belang gegeven gelet op de evidente onrechtmatigheid van het besluit. De intrekking van de ontheffing is voor verzoekers zeer ingrijpend en heeft een enorme impact op de bedrijfsvoering van de onderneming. Het niet volledig kunnen uitoefenen van de onderneming zal leiden tot ernstige personele consequenties zoals verlies van werkgelegenheid. De sluiting van de nachtwinkel tussen 22:00 en 02:00 uur zal leiden tot een acute financiële noodsituatie. Verzoekers verwijzen naar overgelegde stukken waaruit blijkt dat in de periode van 1 januari 2025 tot en met 18 september 2025 meer dan 70% van de aankopen zijn gedaan in de uren waarvoor de ontheffing is verleend, namelijk tussen 22:00 en 02:00 uur. Verzoekers moeten hangende een procedure de onderneming kunnen blijven voeren waardoor, ook al zijn financiële belangen op zichzelf niet voldoende voor het aannemen van een spoedeisend belang, spoedeisend belang wordt aangenomen.
6.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers stukken hebben ingediend waarmee zij het gestelde spoedeisende financiële belang willen aantonen. Wat de voorzieningenrechter op grond van deze stukken in ieder geval wil aannemen is dat verzoekers zich geconfronteerd zien met een aanzienlijke terugloop van inkomsten door intrekking van de ontheffing. Dat valt ook te verwachten omdat verzoekers een nachtwinkel hebben en het besluit de kern van de bedrijfsvoering van verzoekers raakt. Uit de overgelegde stukken blijkt verder dat een groot deel van de aankopen wordt gedaan in de uren waarvoor de ontheffing is verleend. De voorzieningenrechter kan volgen dat verzoekers tijdens de reguliere openingstijden concurreren met supermarkten en hier niet tegenop kunnen. De voorzieningenrechter neemt aan dat een financiële noodsituatie niet valt uit te sluiten en zal het spoedeisend belang dan ook aannemen. De voorzieningenrechter zal het verzoek hierna inhoudelijk beoordelen.
Wat is het juridisch kader?
7. Het voor dit verzoek om een voorlopige voorziening relevante juridisch kader is vermeld in de bijlage bij deze uitspraak.
Intrekkingsgrond Wet Bibob – weigering en ernstig gevaar
8. Het college heeft de intrekking in de eerste plaats op artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob gebaseerd. Verzoekers zijn door het college op 7 oktober 2024 verzocht om het Bibob-formulier in te vullen en binnen twee weken te retourneren. Hierbij heeft het college aangegeven dat het niet aanleveren van het formulier en de bijbehorende bijlagen binnen de gestelde termijn ertoe kan leiden dat de ontheffing wordt ingetrokken. Het college heeft hierop geen reactie ontvangen en op 31 oktober 2024 een schriftelijke herinnering gestuurd. Na het uitblijven van een reactie heeft het college op 18 november 2024 het verzoek in persoon overhandigd in de nachtwinkel. Verzoekers hebben op 15 en 20 januari 2025 een aantal van de gevraagde gegevens aangeleverd. In de mail van 21 januari 2025 heeft mevrouw Badaljan van de gemeente bevestigd dat stukken zijn ontvangen en dat zij bij verdere vragen contact zal opnemen met de boekhouder van verzoekers. Omdat de gegevens onvolledig waren, heeft het college op 5 februari 2025 verzocht om de gegevens aan te vullen. Hierop heeft het college geen reactie ontvangen. Verzoekers hebben deze brief doorgestuurd (via de mail) naar de boekhouder.
8.1. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat het college verzoekers meerdere keren in de gelegenheid heeft gesteld om de gevraagde stukken te overleggen. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers enigszins onderbouwd hebben dat het mogelijk is dat brieven niet zijn aangekomen door gebreken in de postbezorging aan het adres van de nachtwinkel. Maar het college heeft ook een brief ter hand gesteld. Dat verzoekers hierna het aanleveren van nadere stukken overlaten aan de boekhouder en hierbij een misverstand is ontstaan waardoor de stukken niet alsnog (op tijd) zijn aangeleverd, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor rekening en risico van verzoekers komen. Het is aan verzoekers om het Bibob-onderzoek serieus te nemen en het is de eigen verantwoordelijkheid van verzoekers dat zij de gevraagde gegevens verstrekken. [2] Zij waren er van op de hoogte dat zij een formulier moesten invullen en stukken moesten indienen. Het college heeft verzoekers meerdere keren de gelegenheid gegeven om de gegevens te verstrekken. Al zou de voorzieningenrechter aannemen dat het in eerste instantie niet verstrekken van de gevraagde informatie niet als een weigering kon worden aangemerkt, dan is dit met het niet aanleveren van de stukken na de brief van 5 februari 2025 wel het geval. Gelet op deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat verzoekers geen enkel verwijt te maken valt van het niet aanleveren van de gevraagde informatie. Het niet opsturen van de gevraagde stukken kan worden aangemerkt als een weigering en deze weigering wordt volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet Bibob aangemerkt als ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet Bibob. Het college heeft ter onderbouwing van de aard en de mate van het ernstig gevaar een openbronnen- en antecedentenonderzoek gedaan. Aangezien de weigering voldoende is voor het aannemen van een ernstig gevaar hoeft het college niet naar de overige voorwaarden van artikel 3 van de Wet Bibob te kijken en zijn zij in beginsel bevoegd om de ontheffing in te trekken. De stelling van verzoekers dat zij bij de zienswijze alle stukken hadden ingediend en deze dus ook ten tijde van het nemen van het besluit beschikbaar waren, waardoor er geen sprake kan zijn van een weigering, slaagt niet. In de weigering ligt een aspect van tijdsgebondenheid besloten. Dit betekent dat wanneer het Bibob-formulier niet tijdig (volledig) ingevuld wordt ingediend en dus te laat wordt aangeleverd, het college zoals in dit geval de bevoegdheid heeft om op basis van de weigering te besluiten tot intrekking van de ontheffing.
Intrekkingsgrond verordening – slecht levensgedrag
9. Het college baseert de intrekking ook op artikel 4, aanhef en onder b van de Verordening Winkeltijden Maastricht 2015. Uit dit artikel volgt dat het college een ontheffing kan intrekken als op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist. Het college is tot deze conclusie gekomen door middel van een openbronnen- en antecedentenonderzoek. Hieruit is, onder meer, het volgende gebleken:
  • Er is een lopende strafzaak tegen een van de verzoekers;
  • In 2023 is door de Belastingdienst executoriaal beslag gelegd op het perceel waar de nachtwinkel is gevestigd. Dit beslag is ten laste gelegd van verzoekers en ten laste van de VOF op grond van dwangbevelen ten aanzien van de omzetbelasting over de jaren 2017-2022 en de inkomensheffingen ZVW voor 2017;
  • Er is gebleken dat een van de verzoekers in meerdere recente politieregistraties voorkomt, onder andere aangaande bedreiging van klanten (2024), doodsbedreiging jegens een ex-werknemer (2023), het gebruik van onverzekerde voertuigen voor de bezorging van de online nachtwinkel (2022) en ruzie met en intimidatie van huurder(s) wonende boven de nachtwinkel (2021 en 2022). Ook de andere verzoeker komt voor in politieregistraties waaronder mishandeling (2024) en conflict met huurders (2021);
  • Er is gebleken dat in 2024 door de arbeidsinspectie een bestuurlijke boete is opgelegd aan de nachtwinkel naar aanleiding van twee vastgestelde overtredingen ten aanzien van de wet minimumloon en minimum vakantiebijslag;
  • In de beantwoording van de vragen op het Bibob-formulier is verwezen naar een boekenonderzoek van de Belastingdienst dat op dit moment nog loopt.
9.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college op het basis van het bovenstaande heeft kunnen aannemen dat er sprake is van feiten en omstandigheden die, wanneer de ontheffing op dit moment zou worden aangevraagd, zou leiden tot een weigering op grond van artikel 6, zesde en achtste lid, van de Verordening. Deze weigeringsgronden zien op de openbare orde en veiligheid, woon- en leefsituatie in de omgeving en slecht levensgedrag. Ook heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van feiten en omstandigheden die, in samenhang met de weigering in het kader van het Bibob-onderzoek, zouden leiden tot een weigering op grond van artikel 6, zevende lid, van de Verordening. Wat verzoekers hebben aangevoerd over de antecedenten, maakt dit niet anders. Het college mag uitgaan van de objectieve feiten en omstandigheden zoals weergegeven door de politie. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft het college redelijkerwijze kunnen vermoeden dat verzoekers strafbare feiten hebben gepleegd of hierbij betrokken zijn. Het college heeft zich hierbij op het standpunt kunnen stellen dat voor zo’n vermoeden of het vaststellen van slecht levensgedrag geen onherroepelijke veroordelingen zijn vereist.
Is de intrekking van de ontheffing evenredig?
10. Het intrekken van de ontheffing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Dat wil zeggen dat zij de vergunning niet in moeten trekken, maar mogen intrekken. Bij gebruikmaking van de bevoegdheid tot intrekking moet het college alle belangen wegen en motiveren waarom de belangen van het intrekken van de ontheffing zwaarder wegen dan de gevolgen voor verzoekers. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college dit voldoende heeft gedaan.
10.1. Dat de intrekking van de ontheffing (grote) nadelige financiële gevolgen heeft voor de nachtwinkel, vindt de voorzieningenrechter aannemelijk. Verzoekers hebben gesteld dat de intrekking van de ontheffing ertoe zal leiden dat de nachtwinkel niet kan blijven bestaan en dat dit onomkeerbaar is. Het college heeft betwist dat uit de overgelegde stukken volgt dat intrekking van de ontheffing tot een faillissement zou leiden. Hoewel het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit de door verzoekers overgelegde (financiële) informatie niet de conclusie kan worden getrokken dat de intrekking van de ontheffing tot een faillissement leidt, acht de voorzieningenrechter dat ook niet geheel ondenkbaar. Gelet op de ratio van het evenredigheidsbeginsel mogen de gevolgen van de intrekking echter ingrijpend zijn als deze in verhouding staan tot de met het besluit te dienen doelen. Zoals hiervoor is overwogen hebben verzoekers geweigerd om gegevens aan te leveren in het kader van het Bibob-onderzoek. Ook is uit het openbronnen- en antecedentenonderzoek, in ieder geval voorlopig oordelend, gebleken dat verzoekers niet van onbesproken gedrag zijn. De feiten en de omstandigheden en de aard en ernst die hieruit naar voren komen, tonen een beeld dat niet past bij een houder van een ontheffing voor een nachtwinkel. De voorzieningenrechter ziet hierin het grote belang van het college om de openbare orde en veiligheid te handhaven, wat met name in de nachtelijke uren al lastiger is. Het college heeft hierbij naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen meewegen dat houders van een nachtontheffing een uitzonderingspositie hebben ten opzichte van andere winkelhouders doordat zij in de nachtelijke uren open mogen zijn. Het college wil voorkomen dat zij met het verlenen van de nachtontheffing, schade toebrengen aan zwaarwegende publieke belangen en dat zij als overheid onbedoeld of ongewild strafbare feiten of daaruit te behalen voordelen faciliteren door het verlenen van de ontheffing. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat het college in redelijkheid het belang bij de intrekking zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van verzoekers bij het behoud van de ontheffing.
Begunstigingstermijn
11. Verzoekers hebben nog aangevoerd dat het college een (langere) begunstigingstermijn had moeten verlenen. Het college heeft de intrekking in laten gaan zeven dagen na het intrekkingsbesluit. Dit is volgens verzoekers te kort om de winkel te kunnen sluiten gelet op – onder meer - het personeel dat in dienst is. De voorzieningenrechter overweegt dat, nog daargelaten of het college gehouden is in het besluit tot intrekking van de vergunning een (langere) begunstigingstermijn te verlenen, verzoeker in de praktijk nog ruim 5 weken na het besluit tot intrekking open is gebleven. Het college heeft immers op 17 september 2025 het besluit tot intrekking genomen. Op 4 en 5 oktober 2025 en op 24 en 25 oktober 2025 is gebleken dat de winkel open was buiten de reguliere openingstijden. Bovendien is pas op 14 november 2025 een definitieve last onder dwangsom opgelegd waarbij verzoekers per direct werd gesommeerd de winkel te sluiten. Ook op dit punt ziet de voorzieningenrechter daarom geen aanleiding om een voorlopige voorziening toe te wijzen.
Conclusie en gevolgen
12. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de ontheffing naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.M.F. Roijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 december 2025
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage bij de uitspraak
De Wet Bibob
Artikel 3
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
b. strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
a. de mate van het gevaar en
b. voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.
Artikel 7a
1. Indien een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak bevoegd is om advies te vragen aan het Bureau, kan dat orgaan of die rechtspersoon tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid.
2. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen tot het eigen onderzoek. Deze gegevens en bescheiden omvatten in ieder geval:
a. de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de betrokkene;
b. de naam, het adres en de woonplaats van de persoon door wie de betrokkene zich laat vertegenwoordigen;
c. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van de persoon, bedoeld in de onderdelen a en b;
d. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
e. de rechtsvorm van de betrokkene;
f. de handelsnaam of handelsnamen waarvan de betrokkene gebruikmaakt of heeft gemaakt;
g. de naam, het adres en de woonplaats van, voor zover van toepassing:
1°. de leidinggevende van betrokkene;
2°. de zeggenschaphebbende over betrokkene;
3°. de vermogensverschaffer van betrokkene;
4°. de onderaannemer van betrokkene;
h. de wijze van financiering.
3. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak tevens de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht dan wel de opschorting of ontbinding van een overeenkomst of de beëindiging van een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie.
4. Teneinde het Bureau in staat te stellen onderzoek te verrichten als bedoeld in deze wet, zendt het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die het Bureau om advies verzoekt, de door de betrokkene verstrekte gegevens en bescheiden, tezamen met de bevindingen van het eigen onderzoek, toe aan het Bureau.
5. Bij ministeriële regeling worden een of meer formulieren vastgesteld voor het verstrekken van de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens en bescheiden alsmede voor de bevindingen van het eigen onderzoek.
6. Artikel 28, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak van de betrokkene op grond van het tweede of derde lid verkregen gegevens alsmede op de bevindingen van het eigen onderzoek.
7. Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak na het eigen onderzoek zonder advies van het Bureau concludeert tot een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar, meldt hij dit onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, onverwijld aan het Bureau. Dat bestuursorgaan of die rechtspersoon is en blijft verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens en meldt onverwijld eventuele correcties, in het bijzonder indien de conclusie van een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar is vervallen in een bezwaarprocedure of gerechtelijke procedure.
8. Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die redelijkerwijs vermoedt dat een betrokkene zich vanwege het toepassen van deze wet terugtrekt uit de procedure nadat een eigen onderzoek is gestart of nadat advies is gevraagd aan het Bureau, meldt dit onverwijld aan het Bureau.
Verordening Winkeltijden Maastricht 2015
Artikel 4. Intrekken en/of wijzigen van een ontheffing
Burgemeester en wethouders kunnen een ontheffing intrekken of wijzigen indien:
a. ter verkrijging daarvan onjuiste en/of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b. op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de ontheffing is vereist;
c. het gebruik van de winkel of de uitoefening van een bedrijf anders dan in een winkel op basis van de ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse;
d. de aan de ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen.
Artikel 6. Openstelling van nachtwinkels
1. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing voor nachtwinkels verlenen. Er kunnen maximaal twee ontheffingen verleend worden voor een nachtwinkel in het centrum, één ontheffing voor een nachtwinkel buiten het centrum ten westen van de Maas en één ontheffing voor een nachtwinkel buiten het centrum ten oosten van de Maas

(voorwaarden)

2. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing gelden de volgende voorwaarden:
a. Nachtwinkels dienen minimaal 4 avonden in de week tot 24.00 uur open te zijn of zoveel langer als door B&W besloten wordt.
b. Nachtwinkels dienen kleinschalige supermarkten (algemeen assortiment) te zijn met een maximum van 250 m2 winkelvloeroppervlak, waar hoofdzakelijk eet- en drinkwaren worden verkocht. Gebruik van winkelwagens is niet toegestaan.
Afhaalcentra die als winkel uitsluitend of hoofdzakelijk maaltijden, voor directe consumptie geschikte eetwaren en/of dranken verkopen zijn hierbij uitgesloten. Sterkedrank als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Alcoholwet mag er niet verkocht worden. In de nachtwinkel mogen de eetwaren en dranken niet ter plaatse genuttigd worden. De artikelen mogen dan ook alleen in een gesloten verpakking verkocht worden voor gebruik elders dan ter plaatse, niet zijnde de onmiddellijke omgeving van de nachtwinkel.
c. De nachtwinkel dient gevestigd te zijn in een van de winkelgebieden zoals aangeduid in bijgaande kaart “Maastricht winkelgebied”, met uitzondering van voetgangersgebieden alsmede straten waar nagenoeg uitsluitend gewoond wordt. Op basis van het geldende planologische regime moet in het pand detailhandel rechtstreeks toegestaan zijn.
d. Op het moment van het indienen van de aanvraag tot ontheffing dient er binnen 100 meter van de nachtwinkel parkeergelegenheid op straat voor bezoekers te zijn.
3. Artikel 5 lid 1, 2 en 3 van deze Verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
4. Conform het gestelde in artikel 18 van de Alcoholwet is de regelgeving voor niet-vergunningplichtige bedrijven die zwakalcoholhoudende dranken mogen verkopen onverminderd van toepassing.

(voorschriften en beperkingen)

5. Aan een ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter voorkoming van overlast en/of aantasting van het woon- en leefklimaat danwel de openbare orde en veiligheid van de winkel danwel de omgeving van de winkel.

(weigeringsgronden)

6. De ontheffing als bedoeld in artikellid 1 kan worden geweigerd indien een of meer van de navolgende omstandigheden (genoemd onder I en II) zich in de omgeving van de winkel voordoen of naar verwachting zullen gaan voordoen:
I WEIGERINGSGRONDEN M.B.T. OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID:
a. De omgeving van de winkel kan getypeerd worden als een probleemlocatie, door drugsgebruik, drugshandel, ordeverstoringen en/of criminaliteit;
b. De winkel waarvoor ontheffing wordt gevraagd zal naar redelijke verwachting een aanzuigende werking hebben op overlast veroorzakende groepen, zoals drugsgebruikers en – handelaren, uitgaande jongeren en/of alcoholisten;
c. De winkel wordt beoogd gevestigd te worden in een gebied waarin ten tijde van het sluitingsuur(uren) van de Horeca een verhoogd risico aanwezig is op vechtpartijen en andere vormen van ernstige overlast;
d. De in de winkel toegestane verkoop van zwak-alcoholhoudende dranken vormt een gezondheidsrisico voor de in de omgeving uitgaande jeugd;
e. De verkeersaantrekkende werking van de winkel zal naar verwachting de veiligheid op de weg in gevaar brengen en/of overlast veroorzaken voor nabijgelegen panden;
f. Er bestaat een reëel veiligheidsrisico voor klanten en/of personeel, waartegen redelijkerwijs onvoldoende maatregelen kunnen worden genomen;
g. De winkel ligt op een locatie welke in de nachtelijke uren een gemakkelijk doelwit is voor overvallen.
II WEIGERINGSGRONDEN M.B.T. WOON- EN LEEFSITUATIE
h. De winkel ligt in een gebied waar in de directe omgeving voornamelijk sprake is van een woonfunctie;
i. De verkeersaantrekkende werking van de winkel zal naar verwachting de veiligheid op de weg in gevaar brengen en/of overlast veroorzaken voor de naburige panden;
j. Het gebruik van parkeerplaatsen bij winkelbezoek veroorzaakt in de directe omgeving van de winkel overlast of parkeerproblematiek voor reguliere gebruikers/ bewoners in de omgeving;
k. De mogelijkheid van het ontstaan van hinder door overlast veroorzakende groepen jongeren in de directe omgeving van de winkel wordt beoordeeld als een reëel risico.
7.Een ontheffing kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
8. Een antecedentenonderzoek zal deel uitmaken van de behandeling van de aanvraag. In geval van slecht levensgedrag kan de ontheffing geweigerd worden.
(…)
Beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob Gemeente Maastricht
Artikel 1.3 Signalen
In deze beleidsregels staan een aantal gevallen benoemd waarin de gemeente een Bibob-onderzoek
kanuitvoeren of gevallen waarin de gemeente
in beginsel niet tot een onderzoekzal overgaan. In die gevallen zal de gemeente in ieder geval wel overgaan tot het uitvoeren van een Bibob-onderzoek als:
a. er sprake is van ambtelijke informatie en/of informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC die hier aanleiding toe geeft.
b. door het LBB een zogenaamde tip wordt gegeven als bedoeld in artikel 11 van de Wet Bibob.
c. een tip als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob is ontvangen van de officier van justitie of een ander bestuursorgaan of een rechtspersoon met een overheidstaak die bevoegd is tot toepassing van de Wet.
Artikel 2.3 Toepassingsbereik bij reeds verleende beschikkingen
De gemeente
kaneen Bibob-toets doen als een beschikking reeds verleend is. Dat kan indien:
1. De verstrekte beschikking betrekking heeft op een locatie, die gelegen is in een concreet bepaald gebied, dat op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicogebied.
2. De verstrekte beschikking betrekking heeft op een bepaalde (binnen het toepassingsbereik van de Wet Bibob vallende) branche, die op basis van een daartoe genomen besluit van het bestuursorgaan na de verstrekking van de beschikking, is aangewezen als risicobranche.
3. Vanuit eigen informatie dan wel vanuit informatie van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen dat sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.
4. Informatie is verkregen op grond van artikel 26 van de Wet Bibob.
5. Informatie is verkregen van het Bureau op grond van artikel 11 van de Wet Bibob.
6. Bekend wordt dat tegen betrokkene in een andere gemeente of op een andere locatie binnen de gemeente bij een Bibob-toets een ernstige mate van gevaar is geconstateerd.

Voetnoten

1.Onderzoek als bedoeld in artikel 7a van de Wet Bibob op grond van artikel 2.3, derde lid, van de beleidsregel voor de toepassing van de Wet Bibob Gemeente Maastricht.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2329.