Op 11 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak tussen een verzoeker en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). De zaak betreft een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening tegen de oplegging van een Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer door het CBR. De aanleiding voor deze maatregel was een verkeersongeval waarbij de verzoeker op 28 januari 2025 betrokken was. Na het ongeval werd bij de verzoeker een speekseltest afgenomen die positief bleek voor cannabis (THC) en cocaïne. Een daaropvolgend bloedonderzoek bevestigde dat de waarden van deze stoffen de wettelijk toegestane limieten overschreden.
De verzoeker was het niet eens met de oplegging van de maatregel en voerde aan dat er niet voldaan was aan de voorwaarden voor de maatregel, omdat er volgens hem onvoldoende aanvullende gegevens waren in het proces-verbaal. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat het CBR de maatregel terecht heeft opgelegd, omdat er voldoende bewijs was dat de verzoeker onder invloed van drugs had gereden. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De uitspraak benadrukt dat de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid geen ruimte biedt voor een belangenafweging op basis van persoonlijke omstandigheden, en dat de gevolgen van de maatregel niet onevenredig zijn. De verzoeker heeft geen recht op terugbetaling van griffierechten of vergoeding van proceskosten.