Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van kozijnen van een pand dat volgens verweerder een beschermd gemeentelijk monument is. Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat de wijziging de monumentale waarden onevenredig aantast en in strijd is met het bestemmingsplan en de Erfgoedverordening.
Eiser betwist dat het pand een beschermd monument is en voert aan dat er geen apart aanwijzingsbesluit is genomen en dat de procedure niet correct is verlopen. De rechtbank oordeelt dat het pand terecht als beschermd monument is aangemerkt via het bestemmingsplan in combinatie met de Erfgoedverordening, en dat het besluit onherroepelijk is.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van monumentenzorg zich verzet tegen de vervanging van de kozijnen door kunststof kozijnen. Het latere plan met houten kozijnen is niet als gewijzigde aanvraag ingediend en kon daarom niet worden beoordeeld.
Ten slotte is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden, waarbij de overschrijding niet aan de rechtbank kan worden toegerekend. De rechtbank kent een schadevergoeding van €1000 toe en veroordeelt de Staat tot betaling van proceskosten.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding toegewezen.