ECLI:NL:RBLIM:2025:12172

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
ROE 23/549
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering omgevingsvergunning voor wijziging van een beschermd gemeentelijk monument

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de weigering van de gemeente Maastricht om een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van de kozijnen van zijn pand, dat is aangemerkt als een beschermd gemeentelijk monument. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemeente de aanvraag terecht heeft opgevat als een vergunningsplichtige activiteit op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De rechtbank oordeelt dat de gemeente voldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van monumentenzorg zich verzet tegen de aangevraagde wijziging. Eiser heeft aangevoerd dat de gemeente ten onrechte heeft geconcludeerd dat zijn pand een beschermd monument is en dat de aanvraag voor de wijziging van de kozijnen niet correct is beoordeeld. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument in het bestemmingsplan is opgenomen en dat de gemeente de aanvraag op basis van de geldende regelgeving heeft beoordeeld. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, maar het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegewezen. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van € 1000,00 aan eiser en tot betaling van proceskosten van € 453,50.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/549

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.S.P.A. Coolen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht

(gemachtigde: C.M.J.J. Erdkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vervangen van kozijnen van het pand aan de [adres] in [plaats] , geweigerd.
Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 18 januari 2023 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2024 behandeld ter zitting. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder.
Ter zitting is de zaak aangehouden tot 1 juli 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te treden over een nieuw in te dienen aanvraag en het verlenen van een nieuwe omgevingsvergunning.
De rechtbank heeft op 25 juni 2025 van eiser vernomen dat het overleg niet heeft geleid tot het indienen van een nieuwe aanvraag en dat eiser het beroep handhaaft. In de nadere reactie van 25 juni 2025 heeft eiser zijn standpunt verder toegelicht.
Bij brief van 15 juli 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken te laten weten of zij op een nadere zitting willen worden gehoord. Partijen hebben daarop niet aangegeven prijs te stellen op een zitting.
De rechtbank heeft daarom het onderzoek gesloten op 22 augustus 2025 en doet zonder nadere zitting uitspraak op het beroep van eiser.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden
1. Eiser is eigenaar van het pand aan de [adres] in [plaats] en heeft op 28 april 2022 een omgevingsvergunning bij verweerder aangevraagd voor het vervangen van de kozijnen. De aanvraag is ingediend voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Verweerder heeft geconcludeerd dat het pand een beschermd monument betreft en dat de aanvraag daarmee feitelijk ook zag op het wijzigen dan wel gedeeltelijk slopen van een beschermd monument. Verweerder heeft daarom op 8 mei 2022 eiser in de gelegenheid gesteld aanvullende gegevens in te dienen voor deze activiteiten. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens op basis van de aanvullende gegevens mede aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit ‘wijzigen/herstellen van een beschermd monument’ dan wel het slopen van een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor beide activiteiten geweigerd. Aan de weigering voor de activiteit ‘bouwen’ heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het plan in strijd is met de dubbelbestemming ‘Waarde-Maastrichts erfgoed’ van het geldende bestemmingplan ‘Maastricht West’ (hierna: het bestemmingsplan) vanwege strijdigheid met de bouwregels die gelden ter plaatse van de op het perceel gelegen aanduiding ‘cultuurhistorisch attentiegebied’. Ten aanzien van de weigering voor de activiteit ‘wijzigen dan wel slopen beschermd monument’ heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het advies van afdeling cultureel erfgoed en de Erfgoedverordening, op het standpunt gesteld dat de monumentale waarden van het pand door de aangevraagde wijziging onevenredig worden aangetast en dat het belang van monumentenzorg zich tegen vergunningverlening verzet.
Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de geweigerde omgevingsvergunning ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten onder aanvulling van de motivering voor wat betreft de activiteit ‘wijzigen monument’. Verweerder heeft daarbij nader gemotiveerd dat het betreffende pand op grond van de Erfgoedverordening in combinatie met het bestemmingsplan als gemeentelijk monument wordt aangemerkt en waarom het belang van monumentenzorg zich tegen vergunningverlening verzet. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Standpunt eiser
4. Eiser is het niet eens met de weigering van de omgevingsvergunning en bestrijdt – kort gezegd – dat het pand een gemeentelijk beschermd monument betreft. Eiser stelt dat er geen aanwijzingsbesluit is genomen en dat de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft de aanvraag voor de activiteit ‘wijzigen beschermd monument’ daarom volgens eiser ten onrechte aan de Erfgoedverordening getoetst en de vergunning op die grond geweigerd.
Omvang geschil
5. De rechtbank beoordeelt, aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, of verweerder de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren.
5.1.
Het geschil spitst zich toe op de weigering van de omgevingsvergunning voor wat betreft de activiteit ‘wijzigen monument’. Tussen partijen staat ter discussie of het betreffende pand moet worden aangemerkt als een beschermd gemeentelijk monument en of verweerder de aanvraag voldoende gemotiveerd heeft geweigerd. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de weigering ten aanzien van de activiteit ‘bouwen’, althans eiser heeft niet weersproken dat de aanvraag in strijd is met (de bouwregels van) het bestemmingsplan. Gelet hierop, zal de rechtbank enkel beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een gemeentelijk beschermd monument en of verweerder de weigering van de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘wijzigen monument’ voldoende heeft gemotiveerd. Ook beoordeelt de rechtbank het door eiser ingediende verzoek om toekenning van schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Juridisch kader
6. De rechtbank stelt voorop dat op 1 januari 2024 de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking zijn getreden en de Wabo is ingetrokken. Gelet op artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet moet het geschil over de geweigerde omgevingsvergunning worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.
6.1.
Voor de beoordeling van het beroep acht de rechtbank de regels van belang, zoals opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument (in het bestemmingsplan)
7. Eiser betwist in beroep dat sprake is van een beschermd gemeentelijk monument en betoogt daarmee in feite dat in deze zaak geen sprake is van de activiteit ‘wijzigen/herstellen van een beschermd monument’ dan wel het slopen van een beschermd monument als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo. Eiser bestrijdt in dat kader dat voor het betreffende pand een voor de aanwijzing als monument noodzakelijk aanwijzingsbesluit is genomen. In de aanvullende reactie van 25 juni 2025 heeft eiser daarover nog aangevoerd dat het (besluit tot het vaststellen van het) bestemmingsplan ook niet als grondslag kan dienen voor de aanwijzing van een individueel object, waaronder het pand van eiser, als gemeentelijk beschermd monument. Bovendien stelt eiser dat als het al zou kunnen dat in het bestemmingsplan een gemeentelijk monument wordt aangewezen en dat van hem inderdaad is aangewezen, die procedure niet correct is verlopen. Zo heeft eiser volgens hem nooit een ontwerpbestemmingsplan ontvangen en heeft hij in de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan ook geen uitnodiging ontvangen voor de daarop betrekking hebbende informatiebijeenkomst. Ook is volgens eiser het monument ten onrechte niet ingeschreven in de openbare registers zoals bepaald in de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen. Verder geldt dan dat het aanwijzingsbesluit nooit aan hem als belanghebbende bekend is gemaakt en hij daartegen geen zienwijzen heeft kunnen indienen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het pand van eiser wel degelijk als gemeentelijk beschermd monument is aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag van eiser dan ook terecht opgevat als een vergunningsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder b, van de Wabo. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
7.2.
Onder verwijzing naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) [1] , heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat de aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument kan plaatsvinden in het bestemmingsplan in combinatie met een link naar de Erfgoedverordening. Het is niet nodig dat er per object een apart besluit, in de vorm van een beschikking specifiek gericht aan eiser bestaat. De rechtbank ziet geen basis in het recht voor een dergelijke rechtsregel.
7.3.
Dat in deze zaak sprake is van een in het bestemmingsplan aangewezen gemeentelijk monument volgt uit het navolgende. In artikel 2 van de Erfgoedverordening is opgenomen dat als gemeentelijk monument wordt aangemerkt een zaak en/of terrein als bedoeld in artikel 1, sub a, van de Erfgoedverordening die en/of dat in een vigerend bestemmingsplan en daarbij behorende planverbeelding is bestemd tot ‘Maastrichts Erfgoed’ met daarbij de nadere aanduiding:
Specifieke bouwaanduiding – dominant bouwwerk, of;
Specifieke bouwaanduiding – kenmerkend bouwwerk, of;
Specifieke bouwaanduiding – waardevol cultuurhistorisch element, of;
Specifieke vorm van waarde – waardevol groenelement;
Tussen partijen is niet in geschil dat het betreffende perceel de enkelbestemming ‘wonen’ heeft en de dubbelbestemming ‘Waarde-Maastrichts Erfgoed’ met de functieaanduidingen ‘cultuurhistorisch-attentiegebied’ en ‘dominant bouwwerk’. De rechtbank overweegt dat de specifieke bouwaanduiding ‘dominant bouwwerk’ in het bestemmingsplan in combinatie met de van het bestemmingsplan deel uitmakende bijlage 1 ‘Inventarisatie bestemmingsplan Maastricht West’, maken dat het pand van eiser in het bestemmingsplan voldoende specifiek als individueel object, is aangewezen tot beschermd gemeentelijk monument als bedoeld in de Erfgoedverordening. Uit die bijlage volgt dat aan het pand van eiser de status ‘Dominant’ is toegekend met een voor het pand specifieke omschrijving en waardering met richtlijnen die verband houden met die monumentale en voor het stadsbeeld dominante status.
7.4.
Het voorgaande betekent dat het pand van eiser als gemeentelijk monument is aangewezen toen de gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelde. Dat besluit is bovendien onherroepelijk. Dat betekent dat de wijze waarop het bestemmingsplan is vastgesteld en dus ook dat (en de wijze waarop) het pand van eiser als gemeentelijk monument is aangewezen in deze procedure niet meer ter discussie kan staan. Eiser had immers kunnen en moeten opkomen tegen het bestemmingsplan en in dat kader had hij de aanwijzing van zijn pand als gemeentelijk monument aan de orde kunnen stellen. Dat eiser verschoonbaar dit niet heeft kunnen doen, voor zover daar al sprake van kan zijn, heeft hij niet onderbouwd.
Het belang van monumentenzorg
8. In geschil is verder de vraag of verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de monumentenzorg zich verzet tegen de aangevraagde vervanging van de kozijnen. Eiser is van mening dat verweerder dit onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser wijst erop dat de vervanging van de kozijnen door kunststof kozijnen de toets aan de welstandsnota heeft kunnen doorstaan en dat het bestreden besluit ten onrechte enkel is genomen op basis van het aangevraagde bouwplan met kunststof kozijnen. Eiser stelt namelijk dat hij het plan later heeft aangepast in houten kozijnen en dat hij daartoe een offerte heeft overgelegd. Deze latere aanpassing heeft verweerder volgens eiser ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. Verweerder heeft zich daarom volgens eiser onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de gevraagde vervanging van de kozijnen in het belang van monumentenzorg moet worden geweigerd.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de aanvraag van 28 april 2022 betrekking heeft op het vervangen van de bestaande kozijnen in kunststof kozijnen, zodat verweerder op basis daarvan het plan heeft beoordeeld. De rechtbank stelt voorts vast dat uit het aanvraagformulier duidelijk blijkt dat de aanvraag betrekking heeft op kunststof kozijnen. Verweerder heeft er op gewezen dat eiser geen gewijzigd plan heeft ingediend en de rechtbank is evenmin gebleken dat verweerder een aangepaste aanvraag voor houten kozijnen had moeten beoordelen. Eiser heeft weliswaar aanvullende offertes overgelegd, maar daaruit leidt de rechtbank niet af dat eiser een gewijzigde aanvraag bij verweerder heeft ingediend die door verweerder als zodanig had moeten worden beoordeeld. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank in dat verband terecht op gewezen dat uit de enkele indiening van offertes niet blijkt tot welke aanpassing van het bouwplan dat leidt en welke offerte leidend moet worden geacht voor de behandeling van de aanvraag.
8.2.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder bij het nemen van een besluit op een vergunningaanvraag voor wijziging van een monument, gezien artikel 3 van de Erfgoedverordening, moet toetsen of het belang van de monumentenzorg zich tegen de aangevraagde wijziging verzet. Verweerder heeft daarbij beoordelingsruimte. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen [2] is bij het verlenen van een omgevingsvergunning als hier in geding de omschrijving bij de aanwijzing tot beschermd monument van belang. De redengevende omschrijving geeft aan welke aspecten van het monument in het bijzonder beschermingswaardig zijn. Voor het wijzigen, verstoren of verwijderen van zo'n aspect is in ieder geval een omgevingsvergunning vereist. Volgens vaste rechtspraak mag verweerder zich op een advies van de monumentencommissie baseren, tenzij dit niet zorgvuldig tot stand is gekomen of zodanige gebreken vertoont dat het college daarop niet had mogen afgaan. [3]
8.3.
Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat de gevraagde vervanging door kunststof kozijnen in het belang van monumentenzorg moet worden geweigerd. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat op grond van het bepaalde in artikel 3, derde lid van de Erfgoedverordening de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien het belang van monumentenzorg en het bepaalde in het bestemmingsplan zich daartegen niet verzet, daarbij rekening houdend met het gebruik van het bouwwerk. In het primaire besluit heeft verweerder ter onderbouwing daarover het volgende opgenomen:
‘Volgens het geldende bestemmingsplan is de aanvraag voor advies voorgelegd aan de afdeling cultureel erfgoed. Er werd als volgt geadviseerd:
Dit object bezit de monumentale status ‘MPE-Dominant’ en is gelegen binnen het Cultuur Historisch Attentiegebied. De adviseur heeft ter plaatse overleg gehad met de aanvrager en de betreffende kozijnen kunnen bekijken en op monumentale waarde kunnen inschatten. De kozijnen die men voornemens is te gaan vervangen vormen nog de originele kozijnen. In een recentere bouwfase zijn hier wel dermate aanpassingen aan doorgevoerd dat de monumentale uitstraling hiervan op een negatieve wijze is beïnvloed. Om alhier dubbelglas in te kunnen passen zijn zowel aan de exterieur alsook de interieurzijde opdeklatten toegepast. De kozijnen die niet vervangen gaan worden vormen geen oorspronkelijke exemplaren meer maar werden hier omstreeks de jaren ’80 ingepast. Ion deze planvorming wordt de vormgeving van deze jonge kozijnen als uitgangspunt genomen voor het vervangen van de originele kozijnen, vanuit monumentaal oogpunt is dit echter niet juist.
De originele vormgeving en indeling zou hier namelijk het uitgangspunt moeten vormen. Ook het vervangen in kunststof is niet akkoord en vormt bovendien een strijdigheid met de restauratie richtlijnen. Het bovenstaande is ook met de aanvrager ter plaatse gecommuniceerd.
Gelet op het voorgaande moet de gevraagde omgevingsvergunning worden geweigerd.’
8.4.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder er verder op gewezen dat via de Erfgoedverordening en de aanwijzing als monument het erfgoed binnen de gemeente wordt beschermd en dat verweerder het erfgoed zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat wil behouden. Daartoe is bij de aanwijzing tot monument middels het bestemmingsplan een inventarisatielijst gemaakt, waarbij op objectniveau specifieke richtlijnen zijn toegepast die bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning moeten worden betrokken. Verweerder heeft er daarbij, onder verwijzing naar bijlage 1 ‘Inventarisatie bestemmingsplan Maastricht West’ bij het bestemmingsplan, op gewezen dat in de onderhavige situatie specifiek is opgenomen dat de kozijnen, ramen en deuren niet vervangen worden en de vensterindeling intact wordt gelaten. Dit is volgens verweerder een object specifieke aanvulling op het algemene uitgangspunt dat historische bouwmaterialen zo veel mogelijk gerespecteerd moeten worden, waarbij bij vervanging aansluiting moet worden gezocht bij het historisch materiaal. Het vervangen van de bestaande kozijnen door kunststof kozijnen is daarmee volgens verweerder niet te rijmen. Verweerder heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom het belang van de monumentenzorg zich tegen de aangevraagde wijziging in kunststof kozijnen verzet. Dat verweerder de aanvraag onjuist of onvolledig zou hebben beoordeeld, zoals door eiser aangevoerd, is de rechtbank evenmin gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
9. Als laatste dient de rechtbank te beoordelen of de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), is overschreden en of een vergoeding van immateriële schade moet worden toegekend. [4] In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
9.1.
In deze zaak is sprake van een opvolgende bezwaar- en beroepsprocedure. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM mag in dat geval maximaal 2 jaar duren. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. De redelijke termijn is voor een procedure in 2 instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan 2 jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. [5]
9.2.
De redelijke termijn vangt aan op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit, in dit geval op 10 oktober 2022. Bij de vaststelling van de termijnoverschrijding neemt de rechtbank in aanmerking dat de langere behandelingsduur over de periode vanaf de zitting van 3 oktober 2024 tot de datum van de nadere reactie van eiser van 25 juni 2025 niet aan de rechtbank is toe te rekenen. Dit betreft namelijk de periode waarin de zaak op verzoek van partijen is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen om in overleg te treden. Die periode dient daarom naar het oordeel van de rechtbank bij het vaststellen van de termijnoverschrijding buiten beschouwing te worden gelaten. Tot aan de datum van de uitspraak bedraagt de totale behandelingsduur dan ook 2 jaar en 6 maanden. Dat is de totale duur vanaf het ontvangen van het bezwaarschrift (afgerond 3 jaar en 2 maanden), minus 8 maanden (de periode als hiervoor beschreven).
9.3.
Nu er sprake is van een langere termijn dan de hiervoor bedoelde 2 jaar, dient per instantie te worden bezien of er sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Omdat van dit tijdsverloop de behandeling van het bezwaar door verweerder minder dan 6 maanden heeft geduurd, heeft de overschrijding van de redelijke termijn volledig plaatsgevonden in de fase bij de bestuursrechter. Niet gebleken is dat de langere behandelingsduur gerechtvaardigd was. Uitgaande van een schadebedrag van
€ 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond [6] , zal de rechtbank de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot een schadevergoeding van € 1000,00. Verder ziet de rechtbank aanleiding om de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) te veroordelen in de proceskosten van eiser in verband met indiening van het verzoek ter hoogte van € 453,50. [7] Voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling ter zitting van het verzoek bestaat in dit geval geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling in beroep bestaat geen aanleiding.
10.1.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen. De Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 1000,00 aan eiser en tot betaling van proceskosten vanwege de indiening van het verzoek om schadevergoeding ter hoogte van € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 1000,00;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot betaling van de proceskosten aan eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.A.M. Bergmans, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op: 10 december 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 10 december 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1°
Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
een monument als bedoeld in een zodanige verordening:
te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of (…)
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Erfgoedverordening Maastricht
Artikel 2
Als gemeentelijk monument wordt aangemerkt een zaak en/of terrein als bedoeld in artikel 1, sub a van deze verordening die en/of dat in een vigerend bestemmingsplan en de daarbij behorende planverbeelding is bestemd tot “Maastrichts Erfgoed” met daarbij de nadere aanduiding:
specifieke bouwaanduiding – dominant bouwwerk, of;
specifieke bouwaanduiding – kenmerkend bouwwerk, of;
specifieke bouwaanduiding – waardevol cultuurhistorisch element, of;
specifieke vorm van waarde – waardevol groenelement,
met dien verstande dat voor wat betreft kenmerkende bouwwerken alleen het exterieur, zoals omschreven in het van het omgevingsplan deel uitmakende “deelrapport Inventarisatie”, als gemeentelijk monument worden aangemerkt.
Artikel 3
Het is verboden een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening te beschadigen of te vernielen.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2 van deze verordening:
te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of;
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;
3. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de monumentenzorg en het bepaalde in het omgevingsplan zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing op de aanvraag houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het bouwwerk.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3416 en 25 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2572.
2.Uitspraken van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726 en 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2092.
3.Zie bijvoorbeeld uitspraken van de Afdeling van 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2726 en
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL3354.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3223.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2682.
7.Besluit proceskosten bestuursrecht, 1 punt voor het indienen het verzoek om schadevergoeding, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 0,5.