ECLI:NL:RBLIM:2025:12051

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
11886194 en 11886191
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van professionele bewindvoerder wegens gewichtige redenen en benoeming nieuwe bewindvoerder

In deze zaak heeft de kantonrechter in de Rechtbank Limburg op 11 november 2025 een beschikking gegeven tot ambtshalve ontslag van de professionele bewindvoerder, BCMM B.V., wegens gewichtige redenen. De bewindvoerder heeft herhaaldelijk verzuimd om essentiële documenten, zoals de rekening en verantwoording, tijdig in te dienen, wat de kantonrechter in staat stelde om toezicht uit te oefenen. Ondanks de voorkeur van de betrokkenen om de huidige bewindvoerder te behouden, woog deze voorkeur niet op tegen de tekortkomingen van de bewindvoerder. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de bewindvoerder haar taken niet naar behoren heeft uitgevoerd, wat heeft geleid tot het besluit om haar te ontslaan en een nieuwe bewindvoerder, Team WBM B.V., te benoemen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, wat betekent dat de nieuwe bewindvoerder onmiddellijk aan de slag kan zonder te wachten op een eventueel hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
zaaknummers : 11886194 BM VERZ 25-4815 en 11886191 BM VERZ 25-4814
dossiernummers: BM 373547 en BM 373548
datum : 11 november 2025
beschikking tot ambtshalve ontslag van de bewindvoerder
in de zaak van:
[betrokkene 1],
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1965,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [betrokkene 1]
en:
[betrokkene 2],
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1983,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: [betrokkene 2] ,
gezamenlijk te noemen: betrokkenen,
voor wie als bewindvoerder optreden:
de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BCMM B.V.,
correspondentieadres thans: 6231 LL Meerssen, Hoekweg 10,
hierna: de bewindvoerder.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kantonrechter heeft ambtshalve geconstateerd dat de bewindvoerder de
tussentijdse evaluatie van de beschermingsmaatregel op 16 september 2024 en de rekening en verantwoording over het jaar 2023 op 1 november 2024 in had moeten dienen, maar dit heeft verzuimd. De kantonrechter heeft de bewindvoerder daarom bij brieven van 11 oktober en 30 oktober 2024 verzocht de evaluatie van de maatregel alsnog in te dienen. Bij brief van 1 november 2024 en 27 november 2024 is verzocht om de rekening en verantwoording alsnog in te dienen.
1.2.
Aangezien de kantonrechter de gevraagde stukken noch enig andere reactie ontvangen heeft, is de bewindvoerder bij brief van 20 januari 2025 uitgenodigd voor een gesprek met een gerechtsjurist op 11 februari 2025. De bewindvoerder is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
1.3.
De kantonrechter heeft de bewindvoerder vervolgens opgeroepen voor een mondelinge behandeling op 16 april 2025. De bewindvoerder is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
1.4.
De kantonrechter heeft de betrokkenen vervolgens bij brief van 30 juni 2025
geïnformeerd over het voornemen om de bewindvoerder ambtshalve te ontslaan. Bij die gelegenheid zijn betrokkenen tevens in de gelegenheid gesteld om hun standpunt hierover aan de kantonrechter kenbaar te maken. Daarnaast zijn zij verzocht om vóór 29 juli 2025 een bereidverklaring van een opvolgend bewindvoerder te sturen.
1.5.
Op 15 juli 2025 heeft de kantonrechter een schriftelijke reactie van de betrokkenen waarin zij laten weten dat zij de huidige bewindvoerder willen behouden. Als de bewindvoerder tóch ontslagen wordt, dan moet het bewind opgeheven worden, aldus betrokkenen. De kantonrechter heeft deze mededeling niet als een voorwaardelijk opheffingsverzoek gekwalificeerd.
1.6.
Naar aanleiding van deze schriftelijke reactie, heeft de kantonrechter besloten om een mondelinge behandeling te bepalen op 18 augustus 2025. De bewindvoerder en de betrokkenen zijn hiervoor uitgenodigd.
1.7.
Op 4 augustus 2025 heeft de kantonrechter een e-mailbericht van de bewindvoerder ontvangen. De bewindvoerder deelt mede dat zij post van de rechtbank niet ontvangt, verzoekt het postadres te wijzigen, deelt mede dat betrokkenen geen andere bewindvoerder willen en dat zij niet in staat zijn om naar de mondelinge behandeling te komen. De griffier heeft in reactie daarop namens de kantonrechter bericht dat de mondelinge behandeling doorgaat zoals bepaald.
1.8.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2025. [naam 1] en [naam 2] zijn verschenen namens BCMM B.V. De betrokkenen zijn niet verschenen.
1.9.
De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling met de bewindvoerder afgesproken dat de evaluatie van de maatregel, de rekening en verantwoording over 2023 en de rekening en verantwoording over 2024 uiterlijk op 8 september 2025 moeten worden ingediend. In afwachting daarvan is de zaak aangehouden.
1.10.
Op 7 september 2025 om 21:09 uur heeft de kantonrechter een e-mailbericht van de bewindvoerder ontvangen met een verzoek en met in de bijlage de tussentijdse evaluaties van de maatregel ten behoeve van ieder van betrokkenen.
1.11.
De kantonrechter heeft op 8 september 2025 beschikking bepaald.
1.12.
Op 9 september 2025 heeft de kantonrechter de rekening en verantwoording over de jaren 2023 en 2024 ten behoeve van betrokkenen ontvangen.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 3 oktober 2012 zijn de goederen die aan de betrokkenen (zullen) toebehoren onder bewind gesteld vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand. H3 Bewindvoering en Inkomensbeheer B.V. is destijds tot bewindvoerder benoemd.
2.2.
Bij beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 3 februari 2022 is
H3 Bewindvoering en Inkomensbeheer B.V. ontslagen als bewindvoerder, en is BCMM B.V. tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan betrokkenen benoemd.

3.De beoordeling

Moet de bewindvoerder worden ontslagen?
3.1.
Op grond van artikel 1:435 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt de kantonrechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
3.2.
Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW, kan de kantonrechter de bewindvoerder ambtshalve, dat betekent zonder dat daarom is verzocht door de betrokkene of door de bewindvoerder zelf, ontslaan als er ‘gewichtige redenen’ zijn die dat ontslag rechtvaardigen. Het criterium van ‘gewichtige redenen’ is volgens vaste rechtspraak een streng criterium. Ontslag van een bewindvoerder, hetzij op verzoek, hetzij ambtshalve, mag niet lichtvaardig worden verleend.
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van gewichtige redenen die maken dat de bewindvoerder moet worden ontslagen en dat er aldus gegronde redenen zijn om de voorkeur van betrokkenen om de bewindvoerder te behouden, te passeren. De kantonrechter heeft gelezen dat betrokkenen heel tevreden zijn over de bewindvoerder en dat zij vinden dat hij goed bezig is met het oplossen van de schulden. Ook heeft de kantonrechter de stelling van de bewindvoerder in ogenschouw genomen dat in het gezin van betrokkenen sprake is van forse problematiek die veel stress oplevert voor de betrokkenen, waardoor zij des te meer behoefte hebben aan behoud van de bewindvoerder - met wie zij een goede relatie hebben - als stabiele factor. De voorkeur van de betrokkenen weegt weliswaar zwaar en is in de gegeven omstandigheden eens te meer begrijpelijk, maar de wijze waarop de bewindvoerder haar taak uitoefent is van dien aard dat die voorkeur van de betrokkenen in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal legt. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
3.4.
De taak van een bewindvoerder is tweeledig. Jegens de betrokkenen heeft de bewindvoerder de taak om op een verantwoordelijke manier hun financiën te beheren. Jegens de kantonrechter heeft de bewindvoerder de taak de kantonrechter van alle informatie te voorzien die nodig is om uitvoering te geven aan de toezichthoudende taak die de kantonrechter op grond van de wet moet vervullen. Van een bewindvoerder, en zeker van een professionele bewindvoerder, mag verwacht worden dat hij deze taken naar behoren uitvoert.
3.5.
In deze zaak heeft de kantonrechter de toezichthoudende taak niet dan wel onvoldoende kunnen uitvoeren doordat de bewindvoerder de daarvoor benodigde stukken niet althans niet tijdig heeft overgelegd. Dit geldt ten aanzien van zowel [betrokkene 1] als [betrokkene 2] en zowel voor de rekening en verantwoording over de jaren 2023 en 2024 als voor de tussentijdse evaluatie van de maatregel. Daar komt bij dat de bewindvoerder herhaaldelijk zonder bericht van verhindering niet is verschenen bij een gesprek met een gerechtsjurist dan wel voor een mondelinge behandeling. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de bewindvoerder onder verwijzing naar haar e-mailbericht van 4 augustus 2025, betoogd dat de
oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat zij geen post van de rechtbank ontvangt. Dit argument baat haar niet.
3.6.
De kantonrechter heeft onderzoek gedaan naar deze kwestie. Vast staat dat de rechtbank de post heeft verzonden naar het door de bewindvoerder bij de rechtbank opgegeven postadres. De rechtbank kon en mocht dan ook redelijkerwijs ervan uitgaan dat zij de bewindvoerder aldaar kon bereiken. Dit geldt te meer nu de post nimmer retour naar de rechtbank is gekomen. Bovendien is aanvankelijk via dit postadres met de bewindvoerder gecommuniceerd in het kader van het niet indienen van de boedelbeschrijving. De bewindvoerder ontving toen kennelijk wel de post op dit adres, want zij heeft gereageerd op een rappelbrief die door de rechtbank naar dit adres is gezonden. Ook is via dit postadres gecommuniceerd over de rekening en verantwoording over 2022. Het had op de weg van de bewindvoerder gelegen om een aanstaande wijziging van het postadres tijdig kenbaar te maken, zodat de rechtbank de post met ingang van de ingangsdatum van de wijziging naar het juiste adres had kunnen sturen. Het door de bewindvoerder in eerste instantie bij de rechtbank opgegeven postadres wordt overigens nog steeds als postadres op de website van de bewindvoerder vermeld.
3.7.
Afgezien daarvan geldt het volgende. Zelfs als het zo zou zijn dat de bewindvoerder de post niet zou hebben ontvangen, dan neemt dat niet weg dat de bewindvoerder tijdig had kunnen en moeten zorgen voor de indiening van de rekening en verantwoording en de tussentijdse evaluatie van de maatregel. De bewindvoerder behoort met deze verplichting bekend te zijn en zij behoort deze tijdig na te leven. Daarvoor hoeft niet te worden gewacht op bericht van de rechtbank. Overigens had de bewindvoerder, zo daar bij haar onduidelijkheid over zou bestaan, contact op kunnen nemen met de rechtbank. Ook dat is niet gebeurd.
3.8.
Dit klemt te meer ten aanzien van de rekening en verantwoording. Dit is bij uitstek het middel waarmee de kantonrechter adequaat toezicht kan houden op het gevoerde bewind. Aan de hand van deze rekening en verantwoording kan de kantonrechter onder meer controleren of de bewindvoerder een stabiele financiële situatie heeft weten te creëren, wat er in het geval van een positief resultaat met het geld gebeurd is, of alle beschikbare toeslagen zijn aangevraagd, wat de bewindvoerder aan de schuldenproblematiek heeft gedaan, of de bewindvoerder voor zichzelf de juiste beloning in rekening gebracht heeft en ook of de bewindvoerder uitgaven heeft gedaan waarvoor voorafgaand machtiging van de kantonrechter noodzakelijk was. Door deze niet in te dienen maakt de bewindvoerder de uitvoering van de toezichthoudende taak door de kantonrechter onmogelijk.
3.9.
De bewindvoerder is bij beschikking van 3 februari 2022 benoemd. Dat de gestelde problemen met de overdracht van dien aard waren dat indiening van de rekening en verantwoording over 2023 op 1 november 2024 niet mogelijk was, zoals tijdens de mondelinge behandeling is verklaard, heeft de bewindvoerder tegen de achtergrond van de benoemingsdatum volstrekt onvoldoende onderbouwd. Overigens geldt ook hier dat in het geval problemen in het kader van de overdracht maken dat de bewindvoerder in haar optiek niet aan haar verplichtingen kan voldoen, het op de weg van de bewindvoerder ligt om de kantonrechter hierover te informeren. Ook dat is niet gebeurd.
3.10.
Overigens is de stelling dat overdrachtsperikelen in de weg hebben gestaan aan (tijdige) indiening van de rekening en verantwoording niet te rijmen met de eveneens ter
gelegenheid van de mondelinge behandeling ingenomen stelling dat de rekening en verantwoording over 2023 niet kon worden opgesteld, omdat de bewindvoerder (nog) geen jaarrekening van de onderneming van [betrokkene 1] heeft ontvangen. De kantonrechter vraagt zich af in hoeverre het feit dat [betrokkene 1] kennelijk met goedvinden van de bewindvoerder een onderneming (naar de kantonrechter aanneemt een eenmanszaak) drijft, zich verdraagt met het feit dat de goederen die aan hem (zullen) toebehoren onder bewind staan en hij dienaangaande in en buiten rechte door de bewindvoerder wordt vertegenwoordigd. Hoe dan ook, de rekening en verantwoording is een overzicht van alle activiteiten die ondernomen zijn via de beheerrekening. De bewindvoerder heeft als enige toegang tot de beheerrekening en kan en behoort rekening en verantwoording af te leggen over de transacties op deze rekening. Het inkomen van [betrokkene 1] moet op de beheerrekening moet worden gestort, zodat het ontbreken van een jaarrekening in zoverre niet in de weg staat aan het afleggen van rekening en verantwoording.
3.11.
Voor de indiening van de evaluatie van de maatregel geldt dat de bewindvoerder had behoren te weten dat deze evaluatie iedere vijf jaar moet worden ingediend, óók in het geval tussentijds wijziging van de bewindvoerder heeft plaatsgevonden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft zij evenwel verklaard dat zij in de veronderstelling verkeerde dat dit nog niet nodig was, omdat zij pas sinds 2022 bewindvoerder is van betrokkenen.
3.12.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter een en ander met de bewindvoerder besproken. Vanwege de uitdrukkelijke wens van betrokkenen om de bewindvoerder te behouden, heeft de kantonrechter de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling aan de bewindvoerder medegedeeld dat zij de bewindvoerder in de gelegenheid stelt de rekening en verantwoording 2023 en 2024 en de evaluatie van de maatregel alsnog in te dienen en dat in afwachting daarvan de beslissing over het ontslag wordt aangehouden, zodat de inhoud van deze stukken bij de beslissing over het ontslag kan worden betrokken. De kantonrechter heeft, hoewel de bewindvoerder heeft verklaard de stukken “eind augustus” te kunnen indienen, vanwege haar vraagtekens over de haalbaarheid hiervan besloten dat de stukken op 8 september 2025 moeten zijn ingediend.
3.13.
Op 7 september 2025 heeft de bewindvoerder om 21:09 uur het volgende e-mailbericht gestuurd:
“We hebben bij de zitting van [betrokkene 1] [betrokkene 2] besproken dat de RenV van 2023 en 2024 van beiden ingediend zou worden op 08-09-2025. Zoals het hier nu echter voorkomt is 2023 met wijzigingen ingediend. Omdat er aanvullende vragen over de RenV 2023 gesteld zijn, lijkt het mij meer dan waarschijnlijk dat 2023 voor beiden dus wel ingediend is, maar ook gecorrigeerd. Helaas kan ik ons systeem niet herleiden welke de correcte rekening en verantwoording voor beiden ik dien te gebruiken. Graag wil ik u verzoeken om mij/ons uiterlijk morgen 08-09-2023 de ingediende stukken te doen toekomen, zodat van hieruit de basis wel correct is. Uiterlijk morgenavond 08-09-2025 zullen wij dan zorgdragen dat 2023 en 2024 correct bij u ingediend zijn. In de bijlage treft u wel al het ingevulde en ondertekende 5 jaarlijkse evaluatieformulier van zowel [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .”
3.14.
De kantonrechter heeft kennis genomen van dit bericht en heeft vervolgens op 8 september 2025 beschikking bepaald. Voor de kantonrechter is niet duidelijk wat de bewindvoerder met dit bericht wil zeggen. Hoe dan ook, de rekening en verantwoording over 2023 was (net als die over 2024) anders dan de bewindvoerder lijkt te veronderstellen, op dat
moment níet ingediend. Dat is ook tijdens de mondelinge behandeling besproken. Vervolgens lijkt het erop dat de bewindvoerder die (niet ingediende) rekening en verantwoording retour wenst te ontvangen van de kantonrechter, zodat hij deze kan corrigeren.
3.15.
Nog los van het feit dat de rekening en verantwoording niet reeds was ingediend, is het - zo deze wel zou zijn ingediend - niet aan de kantonrechter om deze aan de bewindvoerder te retourneren, zodat zij deze kan corrigeren. De bewindvoerder behoort een deugdelijke administratie erop na te houden. Dit betekent onder andere dat de bewindvoerder moet weten welke stukken zij indient en dat zij een kopie daarvan behoort te behouden ten behoeve van haar eigen administratie althans ten behoeve van de administratie van de rechthebbende. Dat is in deze zaak klaarblijkelijk niet het geval. Bovendien heeft de bewindvoerder niet voldaan aan de verplichting om de rekening en verantwoording over 2023 en 2024 op 8 september 2025 in te dienen. De rekening en verantwoording over 2023 is weliswaar op 9 september 2025 alsnog ingediend, maar deze voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, alleen al omdat het inkomen van [betrokkene 1] niet is vermeld. Daar komt bij dat de beheerrekening alleen op naam van [betrokkene 2] staat terwijl zij een economische eenheid vormt met [betrokkene 1] . Het betreft geen en/of rekening en er zijn geen rekeningen op naam van [betrokkene 1] toegevoegd. Verder is niet duidelijk hoe het over 2023 geïnde bedrag aan beloning tot stand is gekomen.
3.16.
Voor de tussentijdse evaluaties van de maatregel die als bijlagen bij de e-mail van 7 september 2025 zijn ingediend, geldt dat deze eveneens de nodige vragen oproepen. Zo is vermeld dat de situatie van de betrokkenen is verbeterd, maar de hierbij verzochte toelichting is niet gegeven. De vraag hoe de schulden zich hebben ontwikkeld is slechts in heel algemene zin beantwoord met
“Deze schulden zijn inmiddels inzichtelijk, bijgesteld en in behandeling om te komen tot een sanering”, waardoor niet duidelijk is wat de concrete stand van zaken is. De vraag of betrokkenen zelfredzaam kunnen worden is met
“ja”beantwoord, maar in antwoord op de vraag welke stappen zijn gezet om de betrokkenen zelfredzaam te laten worden is geantwoord:
“Zodra de schuldenvrjje positie bereikt is zal cliënt een verzoek indienen tot opheffing van de bewindvoering en zal BCMM BV enkel nog betrokken zijn als budgetcoach c.q. budgetbeheerder.”Dit is geen antwoord op de vraag en lijkt bovendien erop te wijzen dat (volledige) zelfredzaamheid niet in de lijn der verwachting ligt. Vervolgens is vermeld dat een andere maatregel moet worden ingezet. In reactie op de vraag welke maatregel beter past en waarom dit zo is, wordt is vermeld dat de bewindvoerder budgetcoaching of budgetbeheer zal inzetten zodra de schulden gesaneerd zijn. De vraag of wijziging van de grondslag van het bewind nodig is wordt vervolgens echter ook met
“ja”beantwoord, met de toelichting
“Schulden vrij en zelfredzaamheid”.
3.17.
Gelet hierop is volstrekt onduidelijk of betrokkenen wel (en zo ja in welke mate) of niet in staat zijn om zelfredzaam te worden. De kantonrechter kan zich gelet op de inhoud van de antwoorden niets anders concluderen dan dat de bewindvoerder niet alleen onvoldoende concreet duidelijk maakt hoe de schulden zich hebben ontwikkeld, maar ook dat zij onvoldoende kennis heeft (over onder andere de aard en het doel van de maatregel en de betekenis van een wijziging van de grondslag van de maatregel), om de evaluatie deugdelijk in te vullen.
3.18.
De slotsom van al het voorgaande is dat de bewindvoerder haar taak niet vervult op de manier zoals van een verantwoordelijke professionele bewindvoerder mag worden
verwacht. Het is voor de kantonrechter niet mogelijk om de toezichthoudende taak deugdelijk uitvoeren. Daarmee is sprake is van een gewichtige reden die maakt dat de bewindvoerder moet worden ontslagen en dat de voorkeur van de betrokkenen niet kan worden gevolgd. De kantonrechter zal dan ook hiertoe overgaan.
De te benoemen bewindvoerder
3.19.
De kantonrechter heeft, omdat betrokkenen hebben laten weten dat zij geen andere bewindvoerder willen en zij (in het verlengde daarvan) ook geen andere bewindvoerder hebben voorgedragen, ambtshalve een professionele bewindvoerder benaderd. Deze heeft zich op 23 oktober 2025 bereid verklaard om de zaak over te nemen. De kantonrechter zal deze bewindvoerder dan ook benoemen aangezien er geen bezwaren zijn die zich tegen deze benoeming verzetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.20.
Uit de wet vloeit voort dat deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad is. Dit betekent dat de bewindvoerder in afwachting van de uitkomst van een eventueel hoger beroep geen werkzaamheden meer kan verrichten in deze dossiers én dat de te benoemen bewindvoerder met ingang van de hierna te noemen datum aan de slag kan, zonder dat de uitkomst van een eventueel hoger beroep moet worden afgewacht.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
ontslaat met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking als bewindvoerder
BCMM B.V., correspondentieadres te 6231 LL Meerssen, Hoekweg 10, als bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan
[betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 1965 en
[betrokkene 2],
geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1983;
4.2.
benoemt met ingang van twee weken na de datum van deze beschikking tot bewindvoerder Team WBM B.V.;
4.3.
bepaalt dat Team WBM B.V. voor de (aanvangs)werkzaamheden en voor de met het bewind gemoeide kosten de in de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgestelde forfaitaire tarieven, ten laste van het vermogen van de betrokkenen mag brengen;
4.4.
bepaalt dat BCMM B.V. eindrekening en -verantwoording aflegt aan Team WBM B.V. en die vervolgens doet toekomen aan de kantonrechter;
4.5.
bepaalt dat het ontslag van de huidige bewindvoerder en de benoeming van de nieuwe bewindvoerder worden ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister, voor zover het bewind al gepubliceerd was voor de wijziging.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.H.J. Lafghani, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier, L.W.H. Rademacher, op 11 november 2025.