Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
2.De feiten
Partijen hebben gezamenlijk in eigendom een woning te [woonplaats] , aan het adres [adres] (hierna: de woning). De man is na de beëindiging van de relatie in de woning blijven wonen. De vrouw woont sedertdien met de zoon van partijen elders.
26 september 2024, omdat hij niet binnen de gestelde termijn zijn medewerking heeft verleend aan de verkoop van de woning, nu niet binnen de gestelde termijn de makelaar is aangesteld en de bemiddelingsopdracht is ondertekend.
3.Het geschil
Doordat de bij vonnis van 26 september 2024 bepaalde makelaar [naam makelaar 1] aan partijen heeft laten weten het verkooptraject niet te zullen begeleiden, kan de verkoop en levering zoals bevolen in dat vonnis niet langer worden afgedwongen en heeft de vrouw, mede gelet hierop, de (in dit kort geding ruimer dan voorheen geformuleerde) vorderingen I tot en met V jegens de man ingesteld.
Voor wat betreft de gevorderde dwangsom stelt de vrouw dat de in het vonnis van 26 september 2024 bepaalde dwangsom van € 20.000,00 al door de man is verbeurd en thans wordt geïnd door middel van loonbeslag ten laste van de man. Die dwangsom heeft echter niet het beoogde effect gehad, aangezien de man nog steeds iedere medewerking aan de verkoop van de woning via een makelaar en de levering ervan weigert. Gelet op deze opstelling van de man is dan ook een zwaardere prikkel (vordering IV) nodig, om de man te dwingen alsnog zijn medewerking te verlenen, aldus de vrouw.
Ook is gelet op die houding van de man voldoende redenen om hem, in afwijking van de hoofdregel, te veroordelen in de proceskosten.
Gelet op de opstelling van de vrouw is er alle reden om haar te veroordelen in de daadwerkelijk door de man gemaakte proceskosten.
4.De beoordeling
De vrouw kan daarentegen niet worden gevolgd in haar standpunt dat de man nog steeds niet wil meewerken aan de verkoop van de woning aan een derde. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken gesteld dat hij niet alleen in december 2024 een afspraak had met [naam makelaar 2] (zie rov. 2.7.), maar dat hij die afspraak ook is nagekomen en dat hij sindsdien verschillende keren contact heeft gehad met [naam makelaar 2] . Daarnaast heeft de man gesteld en onderbouwd dat hij zelf op zoek is gegaan naar een koper voor de woning. Volgens de man heeft hij die ook gevonden, zodat de inschakeling van [naam makelaar 2] of een andere makelaar niet langer nodig is (zie rov. 2.9.).
De vrouw kan evenmin worden gevolgd in haar standpunt dat zij het recht had om jegens de man aanspraak te maken op betaling van de dwangsommen zoals opgelegd in het vonnis van 26 september 2024. Zoals eerder bleek, stelt de vrouw zich zelf op het standpunt dat de beslissingen in dit vonnis geheel zijn toegesneden op verkoopbemiddeling door [naam makelaar 1] (welk standpunt wordt gedeeld door de man). Dan valt niet in te zien waarom de beslissing onder 5.5. in genoemd vonnis zou zien, zoals zijdens de vrouw is gesteld tijdens de mondelinge behandeling, op de toelating tot de woning van [naam makelaar 1]
en iedere andere door de vrouw in plaats van [naam makelaar 1] aangezochte makelaar (daaronder begrepen [naam makelaar 2] ). Dit door de vrouw ingenomen standpunt heeft zij niet deugdelijk weten te onderbouwen. In verband daarmee heef de vrouw ook niet de stelling van de man weten te weerleggen dat zij op 12 november 2024 wist dat [naam makelaar 1] de woning niet in de verkoop zou nemen terwijl de stappen tot inning van de dwangsommen pas daarna zijn gezet.
(1) niet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat het verkooptraject van de woning via een makelaar nog steeds niet is gestart, alleen of in hoofdzaak is te wijten aan onvoldoende medewerking door de man,
(2) wel worden vastgesteld dat de vrouw op tot op heden niet deugdelijk onderbouwde wijze gebruik maakt van de beslissingen in het vonnis van 26 september 2024 om ten laste van de man dwangsommen te innen.
De vorderingen onder I. tot en met V. zullen daarom worden afgewezen.
De voorzieningenrechter zal de gegrondheid van het over en weer gestelde verder in het midden laten, omdat ook de man erkent dat thans geen geldig bod van de door hem beoogde koper voorligt en omdat tijdens de mondelinge behandeling zijdens de man niet is gesteld en onderbouwd dat [naam bedrijf 2] haar bod zal vernieuwen en op welke wijze dat zal geschieden. Daardoor is geheel onzeker wat de verkoop en levering aan [naam bedrijf 2] zal inhouden. Dit geldt des te meer voor verkoop en levering aan
‘een andere gegadigde die voor de woning een boven de door [naam bedrijf 1] getaxeerde waarde biedt’.Daar komt bij dat de door de man overgelegde taxatie van [naam makelaar 2] /- [naam bedrijf 1] te oud is om op basis daarvan een reële, actuele, laatprijs voor de woning vast te stellen.
De vorderingen onder I. en II. zullen daarom worden afgewezen.
rov. 4.3., laatste alinea.