ECLI:NL:RBLIM:2025:11578
Rechtbank Limburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing loonvordering wegens onvoldoende aannemelijkheid ziekteperiode en loonbetaling
Eiseres is sinds oktober 2018 in dienst als keukenhulp en heeft zich op 1 mei 2024 ziekgemeld. Zij stelt dat zij vanaf augustus 2024 tot 19 juni 2025 weer volledig heeft gewerkt, waarna zij zich opnieuw ziek heeft gemeld. Op grond van de horeca-cao vordert zij betaling van achterstallig loon over juni tot en met oktober 2025, inclusief wettelijke rente en incassokosten.
Gedaagde betwist dat eiseres tussentijds volledig heeft gewerkt en voert aan dat zij onafgebroken arbeidsongeschikt is sinds mei 2024. Gedaagde heeft loon betaald conform de cao, namelijk 100% in het eerste ziektejaar en 75% daarna. Ter onderbouwing zijn onder meer UWV-weekmeldingen en verklaringen van collega’s overgelegd.
De kantonrechter oordeelt dat eiseres het bestaan en de omvang van haar vordering onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Er bestaat onduidelijkheid over de feitelijke arbeidsongeschiktheid en het recht op loondoorbetaling. Een kort geding leent zich niet voor uitgebreid feitenonderzoek, dat in een bodemprocedure moet plaatsvinden.
Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. R.P.J. Quaedackers op 24 november 2025.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het recht op loondoorbetaling.