ECLI:NL:RBLIM:2025:11167

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
11521777 CV EXPL 25-682
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 15 GemeentewetArt. 7 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering raadslid wegens onrechtmatig handelen gemeente inzake gedragscode

In deze zaak stond centraal of de gemeente Eijsden-Margraten onrechtmatig had gehandeld door de gedragscode voor raadsleden niet correct toe te passen na een Facebookbericht van het raadslid [eiseres]. De gemeenteraad had een motie van treurnis aangenomen vanwege het gedrag van het raadslid, waarbij het raadslid stelde dat de procedure niet zorgvuldig en vertrouwelijk was gevolgd. De kantonrechter oordeelde dat hoewel de procedure niet volledig was nageleefd, dit niet onzorgvuldig of onrechtmatig was.

Het Facebookbericht van het raadslid bevatte een persoonlijke aanval op een wethouder, waarbij onjuiste feiten werden gepresenteerd en een koppeling werd gelegd tussen de wethouder en verkeersdoden. Dit werd door de gemeenteraad en burgemeester als schending van de gedragscode beoordeeld. Het raadslid had de mogelijkheid om te reageren en de procedure verliep met de nodige zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid.

De kantonrechter stelde vast dat het raadslid zelf de gedragscode had geschonden en dat de vrijheid van meningsuiting niet zo ver gaat dat onjuiste beschuldigingen via sociale media geoorloofd zijn. De vorderingen van het raadslid tot een verklaring voor recht, schadevergoeding en rectificatie werden afgewezen. Het raadslid werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van het raadslid worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11521777 CV EXPL 25-682
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,
tegen
GEMEENTE EIJSDEN-MARGRATEN,
te Margraten, gemeente Eijsden-Margraten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. R. Janssen.

1.De zaak in het kort

1.1.
In deze zaak gaat het over de nasleep van een door een raadslid geplaatst bericht op Facebook. Naar aanleiding van dit bericht, heeft de gemeenteraad een motie van treurnis aangenomen, waarbij het gedrag van [eiseres] werd afgekeurd. [eiseres] verwijt de burgemeester nu dat die motie in een openbare vergadering is behandeld. Met name ligt de vraag voor of de gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door de procedure zoals voorgeschreven in de gedragscode niet op juiste wijze te hanteren. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend en stelt verder vast dat het [eiseres] is die zelf de gedragscode heeft geschonden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte vermeerdering van eis van [eiseres]
- de mondelinge behandeling van 25 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiseres] was van 2014 tot eind 2024 raadslid binnen de gemeente Eijsden-Margraten.
3.2.
Op 5 februari 2024 heeft [eiseres] op haar Facebook een bericht geplaatst, met daarin een foto van een bordje dat is geplaatst bij een nieuw gerealiseerde fietsverbinding tussen Sint-Geertruid en Eijsden. Op het bordje staat de naam van wethouder [naam wethouder] , de portefeuillehouder binnen het college van burgemeester en wethouders in de gemeente.
Bij de foto heeft [eiseres] de volgende tekst geplaatst:
Ach wat vind ik nu toch tussen het ontluikend speenkruid. Is daar wel een vergunning voor aangevraagd? En dat met een plan dat al onder een andere wethouder vorm kreeg. Als ie nou nog die rotonde bij de Hut voor elkaar had gekregen in plaats van die levensgevaarlijke T-splitsing bij Margraten, waar ook tijdens zijn portefeuilleperiode openbare ruimte doden vielen, dan was dat knap geweest. Wat een zelfverheerlijking.
3.3.
Op 6 februari 2024 is [eiseres] door het bestuurssecretariaat uitgenodigd voor een gesprek met de burgemeester over het bericht dat [eiseres] heeft geplaatst. Na eerst nog contact te hebben gehad met de griffier, heeft [eiseres] de uitnodiging afgewezen.
3.4.
Die avond vindt een commissievergadering plaats, waar de burgemeester [eiseres] persoonlijk aanspreekt op het bericht in de zin dat [eiseres] een link legt tussen de wethouder en de doden die ter plaatse gevallen zijn (waarbij het om 1 dode bleek te gaan en niet meerdere doden). De burgemeester waarschuwt [eiseres] dat het geschil wel eens heel groot zou kunnen worden. Dit moet worden gezien tegen de achtergrond dat een gerechtelijke procedure van [naam wethouder] jegens [eiseres] voor mogelijk werd gehouden.
3.5.
Op 16 februari 2024 verneemt [eiseres] van een fractievoorzitter dat de coalitie een motie (van destijds nog: afkeuring) tegen haar wil indienen en dat het bericht zó wordt geïnterpreteerd dat de wethouder de schuld krijgt van de gevallen doden.
3.6.
Indieners van de motie hebben de motie op de agenda gezet en de agenda is ingediend bij de griffie.
3.7.
Tijdens de raadvergadering op 20 februari 2024, na een schorsing of pauze, is de “motie van treurnis” (hierna: de motie) aan de orde gekomen. Van de 21 raadsleden waren 18 aanwezig. Tijdens die (voorafgaande) pauze, heeft [eiseres] de volledige tekst ingezien. [eiseres] neemt op dit moment ervan kennis dat de motie mede ziet op het stelselmatig pesten op de werkvloer.
3.8.
Voordat de motie in stemming is gebracht, maakte de burgemeester kenbaar dat, indien de motie zou worden aangenomen, hij deze zou uitvoeren aan de hand van de “Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in Eijsden-Margraten 2015 (hierna: de gedragscode)”.
3.9.
De motie is vervolgens aangenomen door 15 leden (twee stemden tegen en 1 onthouding ( [eiseres] ) van stemmen). In het daarvan opgemaakte schriftelijk stuk staat, samengevat, het volgende:
CONSTATERENDE DAT
  • [eiseres] publiekelijk beschuldigingen en/of (impliciete) insinuaties uit via de (sociale) media, die gericht zijn op bestuurders en niet gegrond zijn. Hiermee schendt [eiseres] mogelijk de gedragscode en maakt zij zich mogelijk schuldig aan smaad en laster
  • In de publieke beschuldigingen geen namen genoemd worden, maar deze direct herleidbaar zijn naar de desbetreffende bestuurder
  • Er stelselmatig uitingen op diverse manieren worden gedaan die geschaard kunnen worden onder pesten op de werkvloer. Hiermee wordt een onveilige werksituatie gecreëerd, die vergaande (persoonlijke) consequenties tot gevolg hebben voor de desbetreffende persoon, raadsleden, het college en het ambtelijk apparaat.
OVERWEGENDE DAT
-
Wij in onze gemeente een veilige werkomgeving willen waarin conform de gedragscode sprake is van artikel 6.3.3. (…)
SPREEKT DE RAAD UIT
Zijn treurnis, afkeuring en verbijstering over de uitlatingen van [eiseres]
Dat de raad zich afkeert van deze stelselmatige gedragingen
Zulke uitlatingen niet te tolereren zijn in onze democratie
De voorzitter van de raad op te dragen een (extern) onderzoek in te stellen of ten aanzien van de uitlatingen van [eiseres] sprake is van schending van de gedragscode, met name het genoemde artikel 6.3.3.
3.10.
Met de motie heeft de raad aldus de burgemeester opgedragen om een onderzoek in te stellen naar de vraag of ten aanzien van de uitingen van [eiseres] sprake is van een schending van artikel (6.3.3., lees:) 6.3 van de gedragscode. Dit artikel luidt:
Artikel 6.3
Raadsleden en commissieleden onthouden zich in woord, gebaar en geschrift van persoonlijke aanvallen op bestuurders en/of individuele ambtenaren, in raads- en commissievergaderingen en daarbuiten.
De uitvoering van de gedragscode is neergelegd in paragraaf 7. De gemeenteraad maakt afspraken over de processtappen die worden gevolgd ingeval van een vermoeden van een integriteitsschending (7.2 onder c). De raad ziet er in het bijzonder op toe dat de raad, de fracties en de individuele raadsleden de eigen gedragscode naleven (7.3).
Artikel 7.4luidt:
Iedereen die mogelijk een schending heeft begaan heeft er recht op dat uiterste zorgvuldigheid wordt betracht in alle fasen van de handhaving.
Artikel 7.8luidt voor zover hier van belang:
Als een raadslid twijfelt over een vermeende uitgevoerde handeling van een ander raadslid vraagt hij aan de griffier of die handeling een schending zou zijn.
Wijst het voorlopig advies van de griffier erop dat sprake is van een schending, gaan ze samen naar de burgemeester.
De burgemeester doet vooronderzoek, dan wel laat vooronderzoek verrichten door deskundigen.
De burgemeester informeert het raadslid hierover tenzij er gewichtige redenen in het kader van het onderzoek zijn.
De zaak is afgedaan als er geen grond is voor verdenking. Het vooronderzoek blijft vertrouwelijk.
Indien sprake is van een gedeelde conclusie dat er sprake is van een schending is artikel 7.6 leden 3, 4 en 5 van toepassing.
Indien geen sprake is van een gedeelde conclusie dat er sprake is van een schending gelast de burgemeester een onderzoek.
De burgemeester beoordeelt het onderzoek, legt de resultaten aan de raad voor en geeft een sanctie-advies.
De raad oordeelt zelf op basis van de resultaten van advies.
3.11.
Bij brief van 19 maart 2024 heeft de burgemeester aan de raad uiteengezet dat hij de motie als het startpunt van de procedure beschouwt die in de gedragscode is voorgeschreven en dat hij het vooronderzoek in de zin van artikel 7.8 lid 3 start. Aangegeven is dat in ieder geval de voorzitters van de fractie die de motie hebben ingediend en [eiseres] zullen worden uitgenodigd voor een gesprek en dat vertrouwelijkheid wordt betracht.
3.12.
Op 8 april 2024 heeft het gesprek met de fractievoorzitters plaatsgevonden.
3.13.
[eiseres] besloot zelf niet in te gaan op de uitnodiging voor het gesprek. Zij heeft haar beslissing toegelicht bij schrijven 3 april 2024.
3.14.
Op 22 april 2024 heeft [eiseres] de gemeente aansprakelijk gesteld in de zin dat de burgemeester onrechtmatig jegens haar zou hebben gehandeld door de gedragscode niet op de juiste wijze toe te passen.
3.15.
Bij brief van 29 april 2024 heeft de gemeente aansprakelijkstelling van de hand gewezen.
3.16.
Op 16 mei 2024 heeft alsnog een gesprek plaatsgevonden tussen onder meer de burgemeester en [eiseres] (in bijzijn van haar raadsman). Hierna heeft de burgemeester nog gesproken met de twee raadsleden die tegen de motie hebben gestemd. Op 8 augustus 2024 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen de burgemeester en [eiseres] . Na het gesprek zijn vertrouwelijke onderliggende documenten aan [eiseres] ter hand gesteld. [eiseres] heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om hier nog op te reageren.
3.17.
Bij brief van 8 oktober 2024 heeft de burgemeester de raad geïnformeerd over het verrichte vooronderzoek en de bevindingen ervan:
Vooronderzoek
In het kader van het vooronderzoek heb ik verschillende gesprekken gevoerd. Ik heb onder meer gesproken met vier (mede-)indieners van de motie. Daarnaast heb ik afzonderlijk gesproken met de twee raadsleden die tegen de motie hebben gestemd. Ook heb ik een gesprek gevoerd met het betreffende raadslid zelf.
In lijn met de raadsvergadering is mij uit de gesprekken gebleken dat het bericht op facebook (…) de directe aanleiding voor het indienen van de motie is geweest. In het oorspronkelijk bericht (…) sprak het raadslid zich uit over wethouder [naam wethouder] . Twee elementen uit het bericht zijn daarbij van belang. In de eerste plaats werd in het bericht een koppeling gesuggereerd tussen de wethouder en verkeersdoden. In de tweede plaats werd de wethouder vanwege een bordje langs een fietspad zelfverheerlijking verweten. De indieners van de motie meenden dat het raadslid zich in het bericht op een wijze uitliet die niet aanvaardbaar is. Daarbij hebben zij ook opgemerkt dat sprake is van een patroon. Volgens deze leden wordt op verschillende manieren en sinds enkele jaren, door middel van framing bewust op een negatieve manier een mening gepropageerd. Het bericht zagen zij als de druppel die de emmer deed overlopen. (…)
Bevindingen
Na een weging van de feiten heb ik vastgesteld dat het bericht van het raadslid een persoonlijke aanval op een bestuurder bevatte. Het ging immers om een grievende uitlating over een van de wethouders. Van het raadslid had meer zorgvuldigheid mogen worden verwacht. Ik meen in dit verband dat het niet slechts een onzorgvuldige formulering betreft. Bij deze vaststelling heb ik ook de door de raadsleden beschreven bredere context, die ik ook herken, betrokken. (…)
Ik kom daarom tot de conclusie dat sprake is geweest van een schending van de gedragscode.
Geen vervolgstappen
(…) Mede omdat een extern onderzoek niet zal leiden tot nieuwe feiten of inzichten, heb ik besloten om geen extern onderzoek in te stellen. Verder neem ik in ogenschouw dat uw raad reeds met de motie van 20 februari 2024 een oordeel heeft uitgesproken over het handelen van het raadslid. Ik zie dan ook geen aanleiding voor een sanctionering.
In dit verband hecht ik eraan te benadrukken dat de raad over zijn eigen mores gaat. Ik blijf daarom steeds ontvankelijk voor voorstellen om deze kwestie of dit thema in de raad te behandelen.
3.18.
[eiseres] is bij separate brief geïnformeerd over de brief aan de raad.
3.19.
In de raadsvergadering van 15 oktober 2024 is de brief van de burgemeester voor kennisgeving aangenomen. Geen van de raadsleden heeft aanleiding gezien om een debat aan te vragen. Voor de gemeente is de kwestie daarmee afgerond.
3.20.
In de raadsvergadering van 10 december 2024 heeft [eiseres] afscheid genomen van de gemeenteraad.
3.21.
Op 10 december 2024 heeft de raadsman van [eiseres] een concept-dagvaarding toegezonden aan de gemeente teneinde de gemeente te bewegen in de richting van een oplossing van het geschil zonder het voeren van een procedure.
3.22.
Bij brief van 24 december 2024 heeft de gemeente kenbaar gemaakt dat een minnelijke oplossing de voorkeur verdient en daarbij een gesprek voorgesteld. Daarbij is aangegeven dat de gemeente niet zal overgaan tot rectificatie of schadevergoeding. Op deze brief is geen reactie ontvangen.
3.23.
Op 22 januari 2025 heeft [eiseres] de gemeente gedagvaard.

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, - samengevat -
te verklaren voor recht dat:
- de gemeente onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door haar eigen gedragscode ter bescherming van de persoonlijke integriteit van [eiseres] niet op de juiste wijze te hebben gehanteerd jegens haar, nu [eiseres] niet de bescherming daaruit heeft gekregen die ze wel op basis van de gedragscode zelf had mogen verwachten,
- het door [eiseres] geplaatste bericht op facebook niet in strijd is met de gedragscode en niet als onrechtmatig moet worden beschouwd in het licht van de vrijheid van meningsuiting,
- het door de burgemeester uitgevoerde vooronderzoek onzorgvuldig en onjuist is uitgevoerd en onjuiste althans ondeugdelijke en/of niet voldoende gemotiveerde conclusies bevat, met name de constatering dat [eiseres] gehandeld zou hebben in strijd met de gedragscode,
- de handelwijze van de gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig is, dat [eiseres] ten gevolge van deze handelwijze schade heeft opgelopen, met name reputatieschade en dat de gemeente jegens [eiseres] aansprakelijk is voor deze schade,
En daarnaast de gemeente te veroordelen:
- tot het naar buiten brengen van een bericht, waarin staat de gemeente door het niet tijdig inzetten van de gedragscode ten onrechte heeft toegestaan dat [eiseres] schade heeft geleden,
- tot het betalen van een in goede Justitie te schatten bedrag aan schade, welke schade onder meer maar niet uitsluitend bestaat uit het zakelijk mislopen van schrijfopdrachten door de gemeente en het publiekelijk aangetast worden in haar eer, goede naam en integriteit,
-in de proceskosten.
4.2.
De gemeente voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

de kantonrechter is bevoegd om van het geschil kennis te nemen
5.1.
[eiseres] heeft ten tijde van het instellen van de dagvaarding woonplaats in [woonplaats] (niet: Frankrijk). De Nederlandse rechter is daarmee al bevoegd om van de onderhavige vordering kennis te nemen. De kantonrechter acht zich ook absoluut bevoegd om van het geschil kennis te nemen, omdat - naast de vorderingen van onbepaalde waarde - sprake is van een (schade)vordering en er geen aanwijzingen zijn dat deze een hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-.
geen onzorgvuldig procesgedrag, de zaak wordt inhoudelijk behandeld
5.2.
De gemeente heeft de kantonrechter in overweging gegeven om de zaak niet inhoudelijk te behandelen wegens onzorgvuldig procesgedrag aan de zijde van [eiseres] . De kantonrechter ziet in de dagvaarding onvoldoende aanleiding om een dergelijk verstrekkende beslissing te nemen. De gemeente verwijt [eiseres] (1) dat zij niet heeft gereageerd op de uitnodiging in de brief van de gemeente van 24 december 2024 om een oplossing van het geschil te verkennen (en in plaats daarvan de procedure is gestart) en (2) dat zij de brief van 24 december 2024 niet bij de feiten heeft genoemd (waarmee de kantonrechter een onvolledig beeld zou zijn voorgehouden ex artikel 21 Rv Pro). De gemeente verwijt [eiseres] voorts (3) dat zij in de dagvaarding heeft aangegeven het bijzonder lastig te vinden om het verweer van de gemeente weer te geven, omdat het verweer haar niet helder is (terwijl de gemeente meent dat de standpunten [eiseres] genoegzaam bekend zijn; artikel 113 lid 3 Rv Pro).
5.2.1.
Het enkele feit dat de gemeente openstond voor overleg en [eiseres] naar aanleiding van de brief van de gemeente van 24 december 2024 hierin geen heil meer zag - omdat de gemeente in die brief al bij voorbaat aangeeft niet over te gaan tot rectificatie of schadevergoeding; zijnde een van de eisen van [eiseres] - maakt haar procesgedrag alleszins niet onzorgvuldig. Daarbij verdient opmerking dat [eiseres] vooraf aan de gemeente aldus een concept-dagvaarding heeft toegezonden, zodat een gerechtelijke procedure voor de gemeente in zoverre ook niet als een verrassing is gekomen. Artikel 21 Rv Pro behelst de verplichting voor partijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Het is aan de partijen zelf om te bepalen welke feiten zij aan het geschil ten grondslag willen leggen. De inhoud van c.q. het al dan niet overleggen van de brief van 24 december 2024 voegt aan de oplossing van het geschil niets toe. [eiseres] heeft hiermee geen relevante feiten achtergehouden. De regeling van artikel 111 lid 3 Rv Pro ligt in het verlengde van artikel 21 Rv Pro. [eiseres] stelt niet dat er geen verweer is gevoerd (hetgeen onjuist zou zijn), maar dat zij die verweren niet begrijpt. [eiseres] heeft de bewuste correspondentie, zoals met name de brief van 29 april 2024 met de reactie van de gemeente op de aansprakelijkstelling, als productie bij de dagvaarding ingebracht. De kantonrechter stelt in dit verband nog vast dat in de brief van 24 december 2024 voor het inhoudelijk standpunt van de gemeente (in het geheel) wordt verwezen naar die brief van 29 april 2024. Van een onzorgvuldige procesgedrag is kortom zeker geen sprake. Dat de gemeente van mening is dat dit geschil beter in de raadzaal aan de orde had kunnen worden gesteld, laat onverlet dat [eiseres] het geschil aan de kantonrechter mag voorleggen. De kantonrechter komt toe aan de inhoud van het geschil.
vooraf
de gedragscode is de grondslag van de vordering
5.3.
Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. [eiseres] stelt nu dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de geschreven norm als neergelegd in de artikelen 7.4 en 7.8 van de gedragscode doordat de mogelijke schending niet met uiterste zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid is behandeld.
de gedragscode in relatie tot de wet en de onderhavige verweten gedraging
5.3.1.
In artikel 15 van Pro de Gemeentewet is neergelegd wat een lid van de raad wettelijk niet mag doen. Deze bepaling ziet op het voorkomen van integriteitsschendingen (verboden handelingen, gebruik van gemeentelijke voorzieningen voor privédoeleinden, zakelijke belangen, declaratiegedrag, minder geschikte nevenfuncties, aannemen van geschenken etc.). Een raadslid moet hierop kunnen worden aangesproken. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de raad. In artikel 15 van Pro de Gemeentewet is voorts bepaald dat de raad voor zijn leden een gedragscode vaststelt. De gedragscode, als door de wetgever bedoeld, is juridisch niet bindend. Integriteit ziet daarnaast ook op onderlinge omgangsvormen. Van een raadslid wordt een correct, fatsoenlijk en respectvol gedrag verwacht. In de gedragscode die de onderhavige partijen verdeeld houdt is een dergelijke bepaling opgenomen. In de gedragscode is verder een procedure opgenomen, alsook bepalingen over de zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid. Ook uit de gedragscode in kwestie volgt niet dat er sancties of consequenties zijn als de regels door een van de partijen niet worden nageleefd. De gedragscode is bedoeld om het functioneren van de raad te verbeteren. De kantonrechter deelt het standpunt van de gemeente dat de gedragscode er niet op is gericht om te voorkomen dat de integriteit van raadsleden in het openbaar tot onderwerp van discussie wordt gemaakt. Wel dient er uiterste zorgvuldigheid te worden betracht.
5.3.2.
Vaststaat dat de procedure zoals neergelegd in de gedragscode niet volledig is nageleefd, in de zin dat hetgeen is voorgeschreven in artikel 7.8 lid 1 en lid 2 (hierna gemakshalve te noemen “stap 1”) niet heeft plaatsgevonden. Omdat de burgemeester naar aanleiding van de motie vooronderzoek heeft verricht, is aan artikel 7.8 lid 3 (“stap 2”) wel gehoor gegeven. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente
verplichtwas om stap 1 in alle gevallen te volgen. Het gaat erom of de gemeente in dit geval hiertoe was gehouden in het kader van de uiterste zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid zoals die voortvloeien uit de gedragscode. De zorgvuldigheid ziet op alle fasen. De vertrouwelijkheid (artikel 7.8 lid 5) ziet strikt genomen alleen op het vooronderzoek (stap 2).
behandeling van de motie
5.4.
De kantonrechter heeft na te gaan of er voor de uitingen op het moment dat die tijdens de behandeling van de motie werden gedaan voldoende feitelijke grondslag bestond om het behandelen ervan in een motie verantwoord te achten. Geen van de partijen heeft het verslag van die raadsvergadering ingebracht. De kantonrechter heeft het te doen met de stukken en stellingen die hier voorliggen.
[eiseres] heeft om te beginnen een fatsoensnorm overschreden
5.4.1.
[eiseres] heeft op 5 februari 2024 het facebookbericht in de sociale media verspreid, zodat ook inwoners vanaf toen hiervan kennis hebben kunnen nemen. Uit het door [eiseres] ingebrachte bericht van Binnenlands Bestuur maakt de kantonrechter overigens niet op dat, zoals [eiseres] stelt, enkel een aantal raadsleden het bericht anders interpreteerde - dit is ook niet te rijmen met het hoge aantal raadsleden dat voor de motie heeft gestemd - maar wel dat inwoners het bericht “stuitend” en “walgelijk” hebben gevonden, waardoor de fractie niet anders kon dan [eiseres] erop aanspreken. Haar positie als raadslid brengt mee dat ook zij zich aan de fatsoensnormen zoals neergelegd in de gedragscode had moeten houden.
5.4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat met het facebookbericht
zonder meereen fatsoensnorm voor een raadslid is overschreden - dit nog los van de vraag of de inhoud van het bericht naar waarheid is en los van de vraag of de gedragscode is overschreden (bij leden van de raad bestond op dat moment over dit laatste twijfel, reden waarom om een vooronderzoek is verzocht). De kantonrechter beantwoordt die laatste vraag verderop.
de inhoud van de motie
5.4.3.
De motie bestaat uit twee onderdelen, namelijk een korte verklaring met een moreel oordeel (1 t/m 3) en een verzoek om een onderzoek (4). Hoewel de motie niet letterlijk de term “facebook” hanteert, is de kantonrechter van oordeel het wel zonder meer duidelijk is dat met de (algemene) term “sociale media” hierop is gedoeld, dit al dan niet mede in de context van de kort daaraan voorafgaande waarschuwing van de burgemeester en het gesprek met de fractievoorzitter. [eiseres] heeft ook aangegeven dat dit haar vooraf duidelijk was en dat zij zich hierop heeft voorbereid. De kantonrechter deelt dan ook niet de stelling van [eiseres] dat de motie geen betrekking heeft op het facebookbericht en dat (dit deel van) de motie te weinig concreet was om op te reageren.
5.4.4.
De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [eiseres] nimmer (formeel) is aangesproken op een stelselmatig pesten, maar dat dit iets is wat al langere tijd “leefde” bij leden van de raad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente dit toegelicht met een (schriftelijke) verklaring van de burgemeester (opgenomen in de pleitnota):
Als voorzitter van de raad heb ik vele malen mogen aanschouwen dat [eiseres] , wanneer wethouder [naam wethouder] aan het woord was, tekenen van fysieke afkeur liet blijken, zoals herhaaldelijk zuchten, gelaatsuitdrukkingen, handgebaren en ook het bij herhaling interrumperen van de wethouder, telkens met het doel zijn betrouwbaarheid en integriteit aan te tasten. Ook de andere raadsleden hebben dit kunnen zien. Wethouder [naam wethouder] was bovendien herhaaldelijk mikpunt in de verkiezingscampagne van [eiseres] in 2022 en in de podcasts. Illustratief is dat [eiseres] in een van de podcasts een foto van wethouder [naam wethouder] heeft geplakt onder de titel “vrouwonvriendelijk”, terwijl het verwijt van vrouwonvriendelijk gedrag in de podcast nota bene niet de wethouder, maar met name twee raadsleden betrof. Slechts op mijn aandringen is deze foto verwijderd.
5.4.5.
[eiseres] heeft dit alles niet weersproken, zodat de kantonrechter in het navolgende uitgaat van de juistheid van de verweten gedragingen zoals die blijken uit die verklaring.
5.4.6.
[eiseres] was alleen
nietervan op de hoogte dat de motie om méér dan alleen het facebookbericht zou gaan. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] zich op de vergadering overvallen voelde met het verwijt van stelselmatig pestgedrag – zij nam een half uur voor de behandeling van de motie eerst hiervan kennis – maar het verwijt an sich kan voor haar niet als een verrassing zijn gekomen (en was ook niet benevens de waarheid). De kantonrechter acht het daarmee niet geloofwaardig dat [eiseres] geen idee zou hebben gehad waar het “stelselmatig pesten” betrekking op had. [eiseres] was bij de behandeling aanwezig en heeft haar verhaal kunnen doen. Het feit dat de motie desondanks met overgrote meerderheid is aangenomen, spreekt boekdelen. Dat in de motie zoals die op schrift staat algemene termen zijn gebruikt - en het publiek hieruit geen kennis kan nemen van het exacte pestgedrag over de langere periode - acht de kantonrechter niet getuigen van een onzorgvuldigheid jegens [eiseres] . [eiseres] zelf wist wel degelijk waarom het in hoofdzaak ging.
5.4.7.
De gemeenteraad draagt de verantwoordelijkheid om een individueel raadslid op het niet naleven van de gedragsnormen aan te spreken. De raad heeft met de motie een sterk signaal willen afgeven over het gedrag, naar eigen zeggen mede als verantwoordelijk werkgever. Maar hiermee heeft de raad ook richting de burger duidelijk gemaakt dat zij afstand neemt van het gedrag van [eiseres] (zonder dit juridisch in te kleuren; hiervoor werd om een onderzoek gevraagd; onderdeel 2). Het publieke karakter van haar functie als raadslid brengt mee dat haar handelen nu eenmaal (eerder) publiekelijk aan de orde kan worden gesteld.
5.4.8.
De kantonrechter acht in dit geval met name van belang dat voor de feiten, voor het kunnen uitspreken van een moreel oordeel, al vóór de openbare behandeling voldoende feitelijke grondslag bestond. Het (publieke) facebookbericht en de podcasts waren afkomstig van [eiseres] zelf (oftewel de bron betreft geen derde, waarvan de betrouwbaarheid nog moest worden onderzocht) en burgemeester en raadsleden waren meermaals nota bene zelf getuige van de vervelende gedragingen en uitingen van [eiseres] op momenten dat [naam wethouder] aan het woord was. De gedragingen staan met elkaar in een logisch verband (in de zin dat zij duiden op een pestgedrag jegens [naam wethouder] over een langere periode). [eiseres] miskent dat de feiten duidelijk genoeg waren om in ieder geval een moreel oordeel te kunnen (en mogen) geven. De ernst van het verwijt (het gaat hier niet om een verboden gedraging) in relatie tot de op dat moment bekend zijnde feiten maakt dat het behandelen van de motie in de openbare vergadering in dit geval alleszins niet als onverantwoord was te beschouwen.
De kantonrechter merkt volledigheidshalve op dat het feit dat [eiseres] de gedragsregels heeft geschonden (zie hierna), op zichzelf uiteraard geen reden voor de raad kan vormen om zichzelf niet aan de eigen gedragsregels te houden. Hieraan heeft de kantonrechter aldus ook geen gewicht toegekend.
5.4.9.
Hoewel stap 1 is overgeslagen, is de kantonrechter al met al van oordeel dat de gemeente daarmee (en met het openbaar behandelen van de motie) niet onzorgvuldig, laat staan onrechtmatig, jegens [eiseres] heeft gehandeld. Vaststaat ook dat de raad over zijn eigen agenda gaat. De gemeente heeft aangegeven dat het de raad, die aan het hoofd van het gemeentebestuur staat, steeds vrijstaat om zich middels een motie uit te spreken over welk onderwerp dan ook – en daarmee ook over het handelen van een van zijn leden. [eiseres] heeft dit in zoverre niet weersproken.
rol van de burgemeester
5.4.10.
[eiseres] richt haar pijlen ook niet op de raad, maar op de burgemeester. [eiseres] erkent dat de burgemeester op grond van het plaatselijke Reglement van Orde niet bevoegd is om te beslissen dat een motie niet wordt behandeld. [eiseres] wijst erop dat de burgemeester al, met het indienen van de agenda bij de griffie, kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de motie, maar de burgemeester was niet bevoegd om de motie van de agenda te halen. Slechts de indieners van de motie konden de motie intrekken. [eiseres] verwijt de burgemeester (daarom) met name dat hij de indieners van de motie niet heeft gewezen op de te volgen procedure uit de gedragscode (lees: stap 1). Zoals uit het vorenstaande volgt, lagen de feiten er niet zo bij dat een behandeling van de motie in een openbare vergadering onverantwoord was. Het lag daarmee in zoverre ook niet op de weg van de burgemeester om die openbare behandeling per se te voorkomen, waar hij die bevoegdheid overigens ook niet heeft. De burgemeester heeft zich wel vooraf ingespannen om met [eiseres] in gesprek te gaan (en het is haar eigen beslissing en verantwoordelijkheid geweest om daar niet op in te gaan; de griffier heeft daar geen rol in).
5.4.11.
[eiseres] stelt verder nog dat de burgemeester de agenda van de raad - sterker al op een eerder moment: zijn eigen opmerking “dat het geschil nog wel eens heel groot kan worden” - had moeten aangrijpen om zelf maar meteen een vooronderzoek in te stellen.
Aan de kantonrechter ligt evenwel niet de vraag voor wat de burgemeester wellicht het beste had kunnen doen, maar of er destijds onzorgvuldig is gehandeld door dit na te laten. Zoals overwogen, is dit niet het geval. Daarbij heeft de gemeente nog erop gewezen dat een en ander hooguit betrekking zou hebben op het verzoek om een vooronderzoek. De vertrouwelijkheid, die enkel geldt bij het vooronderzoek, hoeft niet zover te strekken dat de raad het onderhavige morele oordeel over het gedrag van [eiseres] niet kon geven.
5.4.12.
[eiseres] heeft op de mondelinge behandeling nog tweemaal benadrukt dat niemand van de raadsleden heeft opgemerkt dat er in de motie artikel 6.3.3. staat genoemd (in plaats 6.3.), maar het betreft hier duidelijk niet meer dan een kennelijke verschrijving nu de inhoud van artikel 6.3 wel volledig en juist is weergegeven (en 6.3.3. niet bestaat). Dat de raadsleden wellicht de gedragscode er niet naast hebben gelegd maar hebben vertrouwd op de (verder juiste) tekst in de motie, maakt een en ander uiteraard niet onzorgvuldig.
5.4.13.
De stelling van [eiseres] dat, na het openbaar behandelen, iedere vorm van vooronderzoek onmogelijk was omdat de vertrouwelijkheid al op straat lag, kan de kantonrechter zonder toelichting die niet is gegeven niet plaatsen.
het vooronderzoek zelf was zorgvuldig en vertrouwelijk
het vooronderzoek naar aanleiding van de motie
5.5.
Nu de motie er lag (en tot zover ook geen sprake is van enig onzorgvuldig handelen), vermag de kantonrechter niet in te zien waarom de burgemeester de motie niet had mogen aangrijpen om de in artikel 7.8 uiteengezette procedure te starten (te beginnen bij stap 2, want stap 1 is met de motie een gepasseerd station). Een vooronderzoek was de meest aangewezen weg om opvolging te geven aan het verzoek van de raad.
de gang van zaken tijdens het vooronderzoek
5.5.1.
Naar het oordeel van de kantonrechter is ook het daarop gevolgde vooronderzoek (stap 2) zonder meer zorgvuldig is verricht. Zo heeft de burgemeester de fractievoorzitters uitgenodigd voor een gesprek om hun visie te geven op de aanleiding van de motie en de bevindingen zijn gedeeld met [eiseres] . [eiseres] heeft hierop mogen reageren. [eiseres] heeft in dit verband slechts aangevoerd dat gespreksverslagen niet waren ondertekend of gedateerd, maar hiermee is niet gezegd dat zij niet in staat zou zijn geweest hierop te reageren en/of dat het onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Nergens blijkt uit dat de gemeente de vertrouwelijkheid niet in acht heeft genomen. Zo heeft de gemeente onweersproken gesteld dat ook de brief die de burgemeester aan de raad zond om de raad te informeren over de conclusies van het vooronderzoek niet openbaar beschikbaar is gesteld. [eiseres] stelt ook enkel dat tijdens de behandeling van de motie de vertrouwelijkheid niet in acht is genomen (en niet: op enig moment daarna). In zoverre kan de kantonrechter ook de vordering dat “het door de burgemeester uitgevoerde vooronderzoek onzorgvuldig en onjuist is uitgevoerd” niet plaatsen - hiermee kan uitsluitend stap 2 zijn bedoeld -, deze vordering ligt daarom al voor afwijzing gereed. Maar ook als de kantonrechter de vordering ruimer interpreteert (zoals kennelijk wel is bedoeld), zou de uitkomst aldus niet anders hebben geluid. De kantonrechter kan overigens niet toewijzen wat niet is gevorderd.
5.5.2.
De kantonrechter begrijpt dat - na afloop van de behandeling van de motie - nog onderzoek is verricht naar de vraag wie het bordje had geplaatst en dergelijke, maar dit staat los van de uitingen en gedragingen (het gedrag van [eiseres] jegens [naam wethouder] ). En uiteindelijk heeft dit onderzoek er alleen maar toe geleid dat die woorden des te grievender zijn gebleken (want ook nog eens in strijd met de waarheid).
De conclusie van het onderzoek is juist
uitkomst van het vooronderzoek
5.6.
De conclusie van de burgemeester omtrent het vooronderzoek, weergegeven in de brief aan de raad van 8 oktober 2024, dat het facebookbericht een persoonlijke aanval op een bestuurder bevatte, is juist. In het bericht wordt (inderdaad) een koppeling gesuggereerd tussen de wethouder en verkeersdoden en wordt de wethouder zelfverheerlijking verweten.
De burgemeester onderschrijft het patroon dat de indieners van de motie hebben opgemerkt.
Bezien in deze bredere context is niet geloofwaardig dat [eiseres] het bericht niet zo heeft bedoeld (c.q. dat het slechts om een onzorgvuldige formulering zou gaan). Volledigheidshalve merkt de kantonrechter op dat daarmee ook niet de vraag voorligt of de (stelselmatige) uitingen als bedoeld in de motie in strijd zijn met de gedragscode. De burgemeester heeft zijn bevindingen beperkt tot het ene facebookbericht.
Het vooronderzoek kan de conclusie dragen.
5.6.1.
De vergelijking met de zaak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2018 (ECLI: NL:RBGEL:2018:5527), waarin is geoordeeld dat de gemeente onzorgvuldig is omgegaan met “de uitkomsten van” het onderzoek gaat mank. Er is geen sprake van gelijke gevallen. Overigens lagen in die zaken de feiten ook gevoeliger, nu het erom ging of er vertrouwelijke informatie ten eigen bate was aangewend, met een beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg (waar artikel 15 Gemeentewet Pro veeleer direct op ziet).
5.6.2.
De stelling achteraf dat de burgemeester niet objectief kon oordelen, wordt niet gedeeld. Nergens blijkt uit dat de burgemeester niet meer objectief was, enkel en alleen omdat hij het door de indieners van de motie geschetste patroon herkent. [eiseres] wijst op de aansprakelijkstelling van 22 april 2024, maar de burgemeester had het vooronderzoek toen al gestart en gesprekken gevoerd. Op 16 mei 2024 is nog gesproken met [eiseres] en haar raadsman. Er blijkt nergens uit dat het uitgevoerde onderzoek en de conclusie niet objectief zijn te achten (of dat [eiseres] destijds problemen zag met de objectiviteit van de burgemeester). De raad heeft ook geen aanleiding meer gezien om een debat aan te vragen. De kantonrechter deelt dan ook niet de (impliciete) stelling dat het hier aangewezen was dat deskundigen (als bedoeld in artikel 7.8 lid 3) in plaats van de burgemeester het vooronderzoek hadden verricht. De kantonrechter vermag overigens ook niet in te zien waarom een dergelijk onderzoek tot een andere uitkomst zou hebben geleid, nu de onderliggende feiten hetzelfde blijven.
conclusie van het vorenstaande ten aanzien van de vorderingen jegens de gemeente
5.6.3.
Gezien het vorenstaande is de vordering om voor recht te verklaren dat de gemeente onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door haar eigen gedragscode niet op de juiste wijze te hanteren, niet toewijsbaar. Ook de vordering om voor recht te verklaren dat het door de burgemeester uitgevoerde vooronderzoek onzorgvuldig en onjuist is geweest en onjuiste althans ondeugdelijke en/of niet gemotiveerde conclusies bevat, is niet toewijsbaar.
Deze vorderingen zullen worden afgewezen.
[eiseres] heeft in strijd gehandeld met de gedragscode
5.7.
[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat zij niet in strijd heeft gehandeld met de gedragscode. Deze vordering heeft overlap met de (hierboven reeds behandelde) gevorderde verklaring voor recht dat de conclusie uit het vooronderzoek onjuist zou zijn. De vraag rijst daarmee welk belang [eiseres] nog heeft bij die afzonderlijke verklaring voor recht, die ook geen zelfstandige werking meer kan hebben jegens de gemeente (laat staan [naam wethouder] ).
5.7.1.
De kantonrechter is – wat van het belang ook zij - van oordeel dat [eiseres] flagrant in strijd met artikel 6.3 heeft gehandeld. Het bericht is een persoonlijke aanval op een met naam genoemde wethouder en wel in zeer ernstige zin, namelijk dat een link wordt gelegd tussen die wethouder en gevallen doden. Ook de gebruikte term zelfverheerlijking duidt op een zuiver persoonlijke aanval. Zo is het ook begrepen door leden van de gemeenteraad en daarmee aanleiding voor de afkeurende motie. Dat [eiseres] aangeeft dat dit een verkeerde interpretatie betreft van haar bericht, weet ze verder niet aannemelijk te maken. Los daarvan zou dat ook – als dit wel het geval zou zijn – als een uiterst onzorgvuldige formulering voor haar rekening dienen te komen.
5.7.2.
Bovendien is gebleken dat die wethouder simpelweg niets met die ongevallen van doen kán hebben, omdat de betreffende weg een provinciale weg betreft (waar de gemeente niet over gaat), dat nimmer sprake is geweest van (meerdere) doden, én dat de wethouder en/of gemeente geen enkel aandeel heeft gehad in het geplaatste bordje (het was een initiatief van de aannemer waarover niet is gecommuniceerd met de gemeente). De gepresenteerde feiten zijn kortom in strijd met de waarheid, waarmee [eiseres] zich kennelijk niet eerst de moeite heeft genomen om zich van de feiten te vergewissen. Sterker, zij heeft op de mondelinge behandeling tot twee keer toe toegegeven dat zij
wistdat het een provinciale weg betrof. Met deze schets van onjuiste gegevens wordt de wethouder eens te meer schade toe gebracht.
5.7.3.
Ook nadat zij de ochtend nadien nota bene door de burgemeester erop was gewezen dat het bericht niet door de beugel kon, heeft zij niet ervoor gekozen om het bericht dan (zekerheidshalve maar) meteen (nog voor behandeling van de motie) te verwijderen en tegelijk nog een rectificatie op haar facebook te plaatsen. Dit had wel op haar weg gelegen (ook uitgaande van haar stelling dat zij het bericht niet zo had bedoeld). [eiseres] stelt in de dagvaarding weliswaar dat, nadat zij constateerde dat zij niet goed werd begrepen, zij een verklaring op facebook heeft toegevoegd, maar zij heeft op de mondelinge behandeling beaamd dat die wijziging niet eerder dan eind februari 2024 is gebeurd. Haar handelen geeft geen blijk ervan dat zij zich de gevolgen die het bericht voor de wethouder kan hebben ook maar enigszins aantrekt. Dit sterkt het oordeel dat het een persoonlijke aanval betreft.
[eiseres] heeft geen belang bij de vraag of het bericht onrechtmatig is
5.8.
Op de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen voorgehouden dat de gemeente niet heeft geoordeeld dat het bericht onrechtmatig is. De gemeente heeft hierop bevestigd dat de gemeente alleen de schending van de gedragscode heeft onderzocht. [eiseres] meent dat een en ander in elkaars verlengde liggen, maar dit wordt niet gedeeld. De kantonrechter vermag niet in te zien wat het belang is van [eiseres] bij die verklaring voor recht dat
[eiseres]niet onrechtmatig heeft gehandeld, nu dit haar niet wordt verweten. De kantonrechter merkt hierbij op dat [eiseres] wel belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht dat
de gemeentejegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hieraan de vorderingen die zien op rectificatie en schadevergoeding zijn verbonden. [eiseres] miskent hierbij dat, zo [eiseres] al een belang zou hebben, de vraag dan zou voorliggen of [eiseres] jegens de betreffende wethouder onrechtmatig zou hebben gehandeld. De wethouder is evenwel geen partij in deze, zodat de kantonrechter ook om die reden hierover geen oordeel kán vellen.
5.8.1.
Nu (de gemachtigde van) [eiseres] zelf tijdens de mondelinge behandeling toch zwaar op dit punt heeft ingezet met opmerkingen als “doe het voor de democratie”, “ieder raadslid in dit land wordt vogelvrij verklaard” en “ontneem het volk haar woord niet” - zal de kantonrechter
geheel ten overvloedekort stilstaan bij de inhoudelijke kant ervan.
5.8.2.
Het gaat hier om een publieke uitlating van een gemeenteraadslid over een wethouder. Een gemeenteraadslid heeft mede de taak het college van B&W (en daarmee de wethouder) te controleren. De uitlating richt zich op zijn gedrag en handelwijze als openbaar bestuurder (en niet in privé). In een dergelijk geval is de grootst mogelijke terughoudendheid geboden bij het als onrechtmatig kwalificeren van dergelijke uitingen. Dat geldt ook voor uitlatingen die buiten de gemeenteraad zijn gedaan. De beoordelingsmarge voor beperking van die vrijheid van meningsuiting binnen het toepassingsbereik van artikel 6:162 BW Pro is zeer smal.
5.8.3.
[eiseres] geeft aan een misstand in het algemeen belang naar buiten te hebben gebracht - het bord zou oneerlijk aan de wethouder zijn toegekomen - en dat dit daarom is gerechtvaardigd. Hoe het ook zij, het door [eiseres] ingeroepen grondrecht van vrijheid van meningsuiting kan (ook) voor een raadslid niet zo ver gaan, dat in de sociale media de suggestie wordt gewekt dat de wethouder de kans zou hebben gehad om doden te voorkomen maar dit heeft nagelaten. Die beschuldiging strookt volstrekt niet met de feiten. De wethouder is niet debet aan de gevallen dode(n). [eiseres] wist dit. Het bericht levert daarmee geen juiste bijdrage aan het publiek debat, noch wordt hier een misstand aan de kaak gesteld. Met deze onjuiste beschuldiging wordt wel de eer en naam van de wethouder op onrechtmatige wijze aangetast. De door haar gebruikte term zelfverheerlijking is duidelijk op een negatieve manier bedoeld. Door de plaatsing op sociale media wordt vervolgens beoogd dat dit wijd wordt verspreid. Oftewel, zo de kantonrechter al inhoudelijk was toegekomen aan de vraag of de gevraagde verklaring voor recht kan worden verleend, had het antwoord ronduit ontkennend geluid (omdat het bericht wel is aan te merken als onrechtmatig). Het recht van de wethouder op bescherming van eer en goede naam prevaleert hier boven het recht van [eiseres] op vrijheid van meningsuiting.
5.8.4.
[eiseres] is overigens ook niet de mond gesnoerd door de breed gedragen motie waarin haar gedrag werd afgekeurd. Het betreft hier een publieke tik op de vingers, zonder enige verdere sanctie. [eiseres] blijft vrij – binnen de grenzen van art. 7 van Pro de Grondwet – haar mening en inzichten te verkondigen, de luis in de pels te zijn van (het bestuur) van de gemeente.
conclusie ten aanzien van vordering ten aanzien van [eiseres] zelf
5.9.
Gezien het vorenstaande is de vordering om voor recht te verklaren dat het door [eiseres] geplaatste bericht niet in strijd is met de gedragscode en niet als onrechtmatig moet worden beschouwd in het licht van de vrijheid van meningsuiting, niet toewijsbaar. Deze vordering zal worden afgewezen.
geen schadevergoeding en geen rectificatie
5.10.
Hiervoor werd al overwogen dat de gemeente jegens [eiseres] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Daarmee sneuvelt ook de daarop gebaseerde vordering tot schadevergoeding van [eiseres] .
5.11.
Voor zover [eiseres] al gevolgd moet worden in de stelling dat de gemeente niet zorgvuldig heeft gehandeld door de procedure niet strikt te volgen, overweegt de kantonrechter dat [eiseres] heeft nagelaten haar stelling dat zij minder opdrachten heeft gekregen als gevolg van de openbare behandeling van de motie, te onderbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegegeven dat ze eigenlijk tot op heden niet weet waarom de (enige betaalde) opdracht destijds niet is doorgegaan; zo dacht ze zelfs aan een overlijden van die persoon. Een causaal verband met de motie blijft zo slechts een gissen. Niet uit te sluiten valt dat er geen vervolg op een opdracht is gekomen in reactie op de door [eiseres] zelf op sociale media gedeelde tekst.
Voor zover [eiseres] stelt ook reputatieschade te lijden, kan de gemeente daarvoor niet aansprakelijk worden gehouden.
5.11.1.
De vordering om de gemeente te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan schade, is niet toewijsbaar. Ook de vordering om voor recht te verklaren dat de handelwijze van de gemeente jegens [eiseres] onrechtmatig is, en dat [eiseres] ten gevolge van die handelwijze schade heeft opgelopen en dat de gemeente jegens [eiseres] aansprakelijk is voor deze schade, is niet toewijsbaar. Deze vorderingen zullen worden afgewezen.
5.12.
Gezien het vorenstaande bestaat geen grondslag of anderszins aanleiding om de gemeente te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie. Deze vordering is niet toewijsbaar en zal worden afgewezen.
5.13.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente worden begroot op:
- salaris gemachtigde
270,00
(2 punten × € 135,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
337,50

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
6.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 337,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
12 november 2025.
NIv