5.4.De kantonrechter heeft na te gaan of er voor de uitingen op het moment dat die tijdens de behandeling van de motie werden gedaan voldoende feitelijke grondslag bestond om het behandelen ervan in een motie verantwoord te achten. Geen van de partijen heeft het verslag van die raadsvergadering ingebracht. De kantonrechter heeft het te doen met de stukken en stellingen die hier voorliggen.
[eiseres] heeft om te beginnen een fatsoensnorm overschreden
5.4.1.[eiseres] heeft op 5 februari 2024 het facebookbericht in de sociale media verspreid, zodat ook inwoners vanaf toen hiervan kennis hebben kunnen nemen. Uit het door [eiseres] ingebrachte bericht van Binnenlands Bestuur maakt de kantonrechter overigens niet op dat, zoals [eiseres] stelt, enkel een aantal raadsleden het bericht anders interpreteerde - dit is ook niet te rijmen met het hoge aantal raadsleden dat voor de motie heeft gestemd - maar wel dat inwoners het bericht “stuitend” en “walgelijk” hebben gevonden, waardoor de fractie niet anders kon dan [eiseres] erop aanspreken. Haar positie als raadslid brengt mee dat ook zij zich aan de fatsoensnormen zoals neergelegd in de gedragscode had moeten houden.
5.4.2.De kantonrechter is van oordeel dat met het facebookbericht
zonder meereen fatsoensnorm voor een raadslid is overschreden - dit nog los van de vraag of de inhoud van het bericht naar waarheid is en los van de vraag of de gedragscode is overschreden (bij leden van de raad bestond op dat moment over dit laatste twijfel, reden waarom om een vooronderzoek is verzocht). De kantonrechter beantwoordt die laatste vraag verderop.
5.4.3.De motie bestaat uit twee onderdelen, namelijk een korte verklaring met een moreel oordeel (1 t/m 3) en een verzoek om een onderzoek (4). Hoewel de motie niet letterlijk de term “facebook” hanteert, is de kantonrechter van oordeel het wel zonder meer duidelijk is dat met de (algemene) term “sociale media” hierop is gedoeld, dit al dan niet mede in de context van de kort daaraan voorafgaande waarschuwing van de burgemeester en het gesprek met de fractievoorzitter. [eiseres] heeft ook aangegeven dat dit haar vooraf duidelijk was en dat zij zich hierop heeft voorbereid. De kantonrechter deelt dan ook niet de stelling van [eiseres] dat de motie geen betrekking heeft op het facebookbericht en dat (dit deel van) de motie te weinig concreet was om op te reageren.
5.4.4.De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat [eiseres] nimmer (formeel) is aangesproken op een stelselmatig pesten, maar dat dit iets is wat al langere tijd “leefde” bij leden van de raad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de gemeente dit toegelicht met een (schriftelijke) verklaring van de burgemeester (opgenomen in de pleitnota):
Als voorzitter van de raad heb ik vele malen mogen aanschouwen dat [eiseres] , wanneer wethouder [naam wethouder] aan het woord was, tekenen van fysieke afkeur liet blijken, zoals herhaaldelijk zuchten, gelaatsuitdrukkingen, handgebaren en ook het bij herhaling interrumperen van de wethouder, telkens met het doel zijn betrouwbaarheid en integriteit aan te tasten. Ook de andere raadsleden hebben dit kunnen zien. Wethouder [naam wethouder] was bovendien herhaaldelijk mikpunt in de verkiezingscampagne van [eiseres] in 2022 en in de podcasts. Illustratief is dat [eiseres] in een van de podcasts een foto van wethouder [naam wethouder] heeft geplakt onder de titel “vrouwonvriendelijk”, terwijl het verwijt van vrouwonvriendelijk gedrag in de podcast nota bene niet de wethouder, maar met name twee raadsleden betrof. Slechts op mijn aandringen is deze foto verwijderd.
5.4.5.[eiseres] heeft dit alles niet weersproken, zodat de kantonrechter in het navolgende uitgaat van de juistheid van de verweten gedragingen zoals die blijken uit die verklaring.
5.4.6.[eiseres] was alleen
nietervan op de hoogte dat de motie om méér dan alleen het facebookbericht zou gaan. De kantonrechter begrijpt dat [eiseres] zich op de vergadering overvallen voelde met het verwijt van stelselmatig pestgedrag – zij nam een half uur voor de behandeling van de motie eerst hiervan kennis – maar het verwijt an sich kan voor haar niet als een verrassing zijn gekomen (en was ook niet benevens de waarheid). De kantonrechter acht het daarmee niet geloofwaardig dat [eiseres] geen idee zou hebben gehad waar het “stelselmatig pesten” betrekking op had. [eiseres] was bij de behandeling aanwezig en heeft haar verhaal kunnen doen. Het feit dat de motie desondanks met overgrote meerderheid is aangenomen, spreekt boekdelen. Dat in de motie zoals die op schrift staat algemene termen zijn gebruikt - en het publiek hieruit geen kennis kan nemen van het exacte pestgedrag over de langere periode - acht de kantonrechter niet getuigen van een onzorgvuldigheid jegens [eiseres] . [eiseres] zelf wist wel degelijk waarom het in hoofdzaak ging.
5.4.7.De gemeenteraad draagt de verantwoordelijkheid om een individueel raadslid op het niet naleven van de gedragsnormen aan te spreken. De raad heeft met de motie een sterk signaal willen afgeven over het gedrag, naar eigen zeggen mede als verantwoordelijk werkgever. Maar hiermee heeft de raad ook richting de burger duidelijk gemaakt dat zij afstand neemt van het gedrag van [eiseres] (zonder dit juridisch in te kleuren; hiervoor werd om een onderzoek gevraagd; onderdeel 2). Het publieke karakter van haar functie als raadslid brengt mee dat haar handelen nu eenmaal (eerder) publiekelijk aan de orde kan worden gesteld.
5.4.8.De kantonrechter acht in dit geval met name van belang dat voor de feiten, voor het kunnen uitspreken van een moreel oordeel, al vóór de openbare behandeling voldoende feitelijke grondslag bestond. Het (publieke) facebookbericht en de podcasts waren afkomstig van [eiseres] zelf (oftewel de bron betreft geen derde, waarvan de betrouwbaarheid nog moest worden onderzocht) en burgemeester en raadsleden waren meermaals nota bene zelf getuige van de vervelende gedragingen en uitingen van [eiseres] op momenten dat [naam wethouder] aan het woord was. De gedragingen staan met elkaar in een logisch verband (in de zin dat zij duiden op een pestgedrag jegens [naam wethouder] over een langere periode). [eiseres] miskent dat de feiten duidelijk genoeg waren om in ieder geval een moreel oordeel te kunnen (en mogen) geven. De ernst van het verwijt (het gaat hier niet om een verboden gedraging) in relatie tot de op dat moment bekend zijnde feiten maakt dat het behandelen van de motie in de openbare vergadering in dit geval alleszins niet als onverantwoord was te beschouwen.
De kantonrechter merkt volledigheidshalve op dat het feit dat [eiseres] de gedragsregels heeft geschonden (zie hierna), op zichzelf uiteraard geen reden voor de raad kan vormen om zichzelf niet aan de eigen gedragsregels te houden. Hieraan heeft de kantonrechter aldus ook geen gewicht toegekend.
5.4.9.Hoewel stap 1 is overgeslagen, is de kantonrechter al met al van oordeel dat de gemeente daarmee (en met het openbaar behandelen van de motie) niet onzorgvuldig, laat staan onrechtmatig, jegens [eiseres] heeft gehandeld. Vaststaat ook dat de raad over zijn eigen agenda gaat. De gemeente heeft aangegeven dat het de raad, die aan het hoofd van het gemeentebestuur staat, steeds vrijstaat om zich middels een motie uit te spreken over welk onderwerp dan ook – en daarmee ook over het handelen van een van zijn leden. [eiseres] heeft dit in zoverre niet weersproken.
5.4.10.[eiseres] richt haar pijlen ook niet op de raad, maar op de burgemeester. [eiseres] erkent dat de burgemeester op grond van het plaatselijke Reglement van Orde niet bevoegd is om te beslissen dat een motie niet wordt behandeld. [eiseres] wijst erop dat de burgemeester al, met het indienen van de agenda bij de griffie, kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de motie, maar de burgemeester was niet bevoegd om de motie van de agenda te halen. Slechts de indieners van de motie konden de motie intrekken. [eiseres] verwijt de burgemeester (daarom) met name dat hij de indieners van de motie niet heeft gewezen op de te volgen procedure uit de gedragscode (lees: stap 1). Zoals uit het vorenstaande volgt, lagen de feiten er niet zo bij dat een behandeling van de motie in een openbare vergadering onverantwoord was. Het lag daarmee in zoverre ook niet op de weg van de burgemeester om die openbare behandeling per se te voorkomen, waar hij die bevoegdheid overigens ook niet heeft. De burgemeester heeft zich wel vooraf ingespannen om met [eiseres] in gesprek te gaan (en het is haar eigen beslissing en verantwoordelijkheid geweest om daar niet op in te gaan; de griffier heeft daar geen rol in).
5.4.11.[eiseres] stelt verder nog dat de burgemeester de agenda van de raad - sterker al op een eerder moment: zijn eigen opmerking “dat het geschil nog wel eens heel groot kan worden” - had moeten aangrijpen om zelf maar meteen een vooronderzoek in te stellen.
Aan de kantonrechter ligt evenwel niet de vraag voor wat de burgemeester wellicht het beste had kunnen doen, maar of er destijds onzorgvuldig is gehandeld door dit na te laten. Zoals overwogen, is dit niet het geval. Daarbij heeft de gemeente nog erop gewezen dat een en ander hooguit betrekking zou hebben op het verzoek om een vooronderzoek. De vertrouwelijkheid, die enkel geldt bij het vooronderzoek, hoeft niet zover te strekken dat de raad het onderhavige morele oordeel over het gedrag van [eiseres] niet kon geven.
5.4.12.[eiseres] heeft op de mondelinge behandeling nog tweemaal benadrukt dat niemand van de raadsleden heeft opgemerkt dat er in de motie artikel 6.3.3. staat genoemd (in plaats 6.3.), maar het betreft hier duidelijk niet meer dan een kennelijke verschrijving nu de inhoud van artikel 6.3 wel volledig en juist is weergegeven (en 6.3.3. niet bestaat). Dat de raadsleden wellicht de gedragscode er niet naast hebben gelegd maar hebben vertrouwd op de (verder juiste) tekst in de motie, maakt een en ander uiteraard niet onzorgvuldig.
5.4.13.De stelling van [eiseres] dat, na het openbaar behandelen, iedere vorm van vooronderzoek onmogelijk was omdat de vertrouwelijkheid al op straat lag, kan de kantonrechter zonder toelichting die niet is gegeven niet plaatsen.
het vooronderzoek zelf was zorgvuldig en vertrouwelijk
het vooronderzoek naar aanleiding van de motie