ECLI:NL:RBLIM:2025:10969

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
11840435 \ CV EXPL 25-3284
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArtikel 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding huurovereenkomst ondanks huurachterstand wegens belang minderjarige kinderen

Verhuurder verhuurt sinds mei 2023 een woning aan huurders die een huurachterstand hebben opgebouwd. Na meerdere eerdere dagvaardingen wegens huurachterstand, vordert verhuurder nu ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en betaling van een kleine resterende huurachterstand.

Huurders erkennen de achterstand en hebben deze grotendeels voldaan na dagvaarding. De kantonrechter overweegt dat hoewel een huurachterstand van meer dan drie maanden vaak ontbinding rechtvaardigt, het belang van de minderjarige kinderen in de woning zwaarwegend is. Dit volgt uit artikel 3 IVRK Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad.

Gezien de vrijwel volledige aanzuivering van de achterstand en het ontbreken van een zwaarwegend belang van verhuurder, wordt de ontbinding en ontruiming afgewezen. Wel wordt het restantbedrag van € 0,57 toegewezen en worden de proceskosten aan huurders opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De ontbinding en ontruiming worden afgewezen vanwege het belang van minderjarige kinderen en vrijwel volledige aanzuivering van de huurachterstand.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11840435 \ CV EXPL 25-3284
Vonnis van 5 november 2025
in de zaak van
GAS GEVEN B.V.,
Gevestigd te Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: Hafkamp Groenewegen gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde sub 1] , en2. [gedaagde sub 2] ,

Beiden wonende [adres]
[woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: huurders,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de (mondelinge) conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek en tevens akte vermindering van eis
- de (mondelinge) conclusie van dupliek
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Verhuurder verhuurt met ingang van 9 mei 2023 aan huurders de woning aan het adres [adres] , te [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt (inmiddels) € 1.208,08 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.2.
Huurders hebben een huurachterstand laten ontstaan.

3.Het geschil

3.1.
Na wijziging/ vermindering van eis vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 0,57 aan huurachterstand tot en met september 2025 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2.
Verhuurder legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Huurders zijn in hun verplichtingen als huurder tekortgeschoten. Op het moment van dagvaarden bestond een huurachterstand van € 3.589,58, naast een bedrag van € 421,26 aan eveneens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en een bedrag van € 30,73 aan reeds vervallen rente (in totaal een bedrag van € 4041,57). Weliswaar hebben huurders na dagvaarden een bedrag van € 4.041,00 betaald, toch persisteert verhuurder – zo begrijpt de kantonrechter – bij de gevorderde ontbinding en ontruiming van het gehuurde nu huurders reeds tweemaal eerder werden gedagvaard in verband met een ontstane huurachterstand. In beide gevallen hebben huurders destijds nog voor de eerste roldag de achterstand plus kosten aangezuiverd.
3.3.
Verhuurders voeren verweer. Bij conclusie van antwoord erkennen verhuurders de ontstane huurachterstand, doch stellen deze inmiddels (vrijwel) volledig te hebben voldaan. Zij wijzen bij dupliek nog op het belang van de woning voor hun jonge gezin, met drie minderjarige kinderen van respectievelijk vijf, vier en een half jaar oud.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat verhuurder heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.2.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. Huurders zijn verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.3.
Huurders erkennen de (opnieuw) ontstane huurachterstand van € 3.589,11 plus bijkomende kosten en hebben deze na aanbrengen van de dagvaarding grotendeels aangezuiverd, alsook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en reeds vervallen rente. Gezien echter de hoogte van deze achterstand en de onbetwiste stelling van verhuurder dat huurders reeds tweemaal eerder werden gedagvaard in verband met het laten ontstaan van een forse huurachterstand, is de kantonrechter van mening dat dit tekortschieten van huurders de gevorderde ontbinding en ontruiming zou kunnen rechtvaardigen.
4.4.
Een huisuitzetting is voor de minderjarige kinderen een zeer ingrijpende maatregel met verstrekkende gevolgen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij het oordeel of een huurovereenkomst moet worden ontbonden (en dat ziet ook op de daaraan gekoppelde ontruiming) de rechter het belang van de minderjarige kinderen die in de woning wonen moet betrekken. Dat volgt uit artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze belangen wegen in de gegeven situatie zwaarder dan het belang van verhuurder bij ontruiming van de woning. De kantonrechter houdt daarbij ook rekening met het feit dat de huurachterstand plus bijkomende kosten, waarvoor werd gedagvaard, inmiddels vrijwel volledig werd aangezuiverd en verhuurder geen ander zwaarwegend belang heeft gesteld.
4.5.
Dit betekent dat de kantonrechter, ondanks het tekortschieten van huurders, van oordeel is dat gezien deze aanzuivering van de achterstand én het woonbelang van de minderjarige kinderen de gevorderde ontbinding en ontruiming ditmaal zal worden afgewezen. Een en ander betekent echter nog geen vrijbrief voor huurders om ook in de toekomst weer huurachterstanden te laten ontstaan.
4.6.
De kantonrechter zal het restantbedrag van € 0,57 toewijzen.
4.7.
Nu huurders eerst na dagvaarden de achterstand en bijkomend kosten vrijwel geheel hebben aangezuiverd, dienen zij de proceskosten (inclusief nakosten) te betalen. De proceskosten van verhuurder worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.337,43
4.8.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt huurders hoofdelijk om te betalen aan verhuurder een bedrag van € 0,57 aan (restant) achterstallige huur tot en met augustus 2025, buitengerechtelijke incassokosten en reeds vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 12 augustus 2025
5.2.
veroordeelt huurders hoofdelijk in de proceskosten van € 1.337,43,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op
5 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1810)