De zaak betreft een kort geding waarin de verhuurder vordert dat de huurder de bedrijfsruimte ontruimt wegens niet-nakoming van huurbetalingen. De huurder erkent de huurachterstand, maar voert verweer tegen de ontruiming. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is.
De huurder heeft sinds mei 2025 een huurachterstand opgebouwd die bij dagvaarding € 3.446,00 bedroeg en bij de mondelinge behandeling € 2.000,00. Hoewel de huurder kort voor de zitting een deel van de achterstand betaalde, maakt dit de tekortkoming niet ongedaan. De rechtbank constateert dat de huurovereenkomst waarschijnlijk zal worden ontbonden in een bodemprocedure.
De gevorderde ontruiming wordt toegewezen, maar de machtiging om de ontruiming met behulp van de sterke arm van justitie uit te voeren wordt afgewezen als overbodig. De huurder wordt tevens veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand, de verder oplopende huurtermijnen met wettelijke rente, en de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.