Uitspraak
datum : 17 oktober 2025
Rechtbank Limburg
Betrokkene heeft verzocht om opheffing van het bewind dat destijds vanwege schulden en een lichamelijke of geestelijke toestand is ingesteld. Sinds januari 2021 is betrokkene schuldenvrij en wenst zij haar financiën zelfstandig te beheren. Zij beheert haar uitgaven via potjes en heeft dit ook aan de rechtbank toegelicht met een brief van haar huisarts.
De bewindvoerders zijn het niet eens met het verzoek en stellen dat de grondslag voor het bewind nog steeds aanwezig is. Betrokkene heeft een beperkt budget, vraagt regelmatig extra leefgeld aan en beheert haar leefgeld zodanig dat de bewindvoerders geen inzicht hebben in de bestedingen. Pogingen om het leefgeld maandelijks in plaats van wekelijks uit te keren zijn niet goed verlopen.
De kantonrechter overweegt dat opheffing van het bewind alleen mogelijk is als het niet meer nodig is of niet zinvol blijkt. Gezien de huidige situatie acht de kantonrechter het nog te vroeg om het bewind op te heffen. Betrokkene heeft onvoldoende aangetoond dat zij nu voldoende zelfredzaam is om haar financiële belangen zelfstandig te behartigen.
De rechtbank wijst het verzoek af en draagt de bewindvoerders op om een zelfredzaamheidstraject te starten van zes maanden. Dit traject omvat onder meer het uitkeren van leefgeld per maand en het zelf betalen van vaste lasten door betrokkene. Na afloop zal de kantonrechter worden geïnformeerd over het verloop, waarna het bewind eventueel alsnog kan worden opgeheven.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen en een zelfredzaamheidstraject van zes maanden wordt opgelegd.