Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het realiseren van een recreatiewoning. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om het gebruik van de recreatiewoning te schorsen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het verzoek betrekking had op het gebruik van de recreatiewoning en niet op de bouwactiviteiten, aangezien voor het bouwen een meldingsplicht geldt en geen vergunning was verleend. De bouw was stilgelegd omdat vergunninghoudster nog niet had voldaan aan de meldingsplicht.
De voorzieningenrechter overwoog dat het vroegst mogelijke gebruik van de recreatiewoning pas begin januari 2026 kan plaatsvinden, terwijl de beslissing op het bezwaar van verzoekster halverwege december 2025 wordt verwacht. Hierdoor is het gebruik al door andere oorzaken verhinderd tijdens de bezwaarfase, waardoor geen spoedeisend belang bestaat.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat er geen aanleiding was voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.