De zaak betreft een kort geding over het conservatoir beslag gelegd door gedaagde op een onroerende zaak van eiseres. Gedaagde stelt dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen, terwijl eiseres dit betwist en stelt dat geen volledige overeenstemming is bereikt over essentiële onderdelen van de koop.
De rechtbank oordeelt dat er geen door beide partijen ondertekende koopovereenkomst is en dat ook niet tijdens een telefonisch overleg op 12 juli 2024 volledige overeenstemming is bereikt over de essentialia van de koop. Diverse belangrijke punten zoals de splitsing van de koopprijs, de bankgarantie, en de vrijwaring voor asbest waren nog onderwerp van discussie.
Ook was onduidelijkheid over het object van de koop, met name of de zes parkeerplaatsen inbegrepen waren, terwijl deze niet eigendom zijn van eiseres. Gedaagde kon zich hierop niet beroepen omdat hij als professioneel projectontwikkelaar onderzoek had moeten doen.
Gezien de ondeugdelijkheid van het door gedaagde ingeroepen recht en de belangenafweging, waarbij het belang van eiseres om vrij over het pand te kunnen beschikken zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij handhaving van het beslag, wordt het beslag opgeheven. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en een dwangsom bij niet-naleving.