ECLI:NL:RBLIM:2024:913
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak deelname criminele organisatie en hennepteelt wegens onvoldoende bewijs
De rechtbank Limburg behandelde op 27 februari 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie in de periode van 30 juni 2017 tot en met 16 januari 2018. De tenlastelegging omvatte het telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van een groot aantal hennepplanten en deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van misdrijven volgens de Opiumwet.
Tijdens de terechtzitting op 29 januari 2024 en de sluiting van het onderzoek op 13 februari 2024 werd het bewijs besproken. De officier van justitie stelde voor de verdachte integraal vrij te spreken omdat het bewijs onvoldoende was; met name was onduidelijk of de gesprekken over hennep gingen en was het contact met medeverdachten slechts incidenteel. De verdediging voerde eveneens aan dat niet bewezen kon worden dat verdachte betrokken was bij hennep of een criminele organisatie.
De rechtbank oordeelde dat het niet duidelijk was dat de gesprekken over hennep gingen en dat het contact met medeverdachten te beperkt was om deelname aan een criminele organisatie vast te stellen. Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van beide feiten. De dagvaarding werd niet nietig verklaard omdat de verdachte voldoende duidelijkheid had over de beschuldigingen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij één rechter niet medeondertekende. De verdachte werd integraal vrijgesproken van de tenlasteleggingen wegens onvoldoende bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie en het telen of aanwezig hebben van hennep wegens onvoldoende bewijs.