Uitspraak
[handelsnaam],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de mondelinge behandeling van 20 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij die gelegenheid is door beide partijen nog een productie ingebracht.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
per maandwordt ingelopen. De door [gedaagde] voorgestelde uitleg zou erop neerkomen dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] (slechts) voor 1 april 2024 een bedrag van 3 x € 4.892,17 zou moeten hebben voldaan. Dat dit de bedoeling zou zijn geweest, volgt niet uit de letterlijke tekst en ligt ook anderszins niet in de rede. [gedaagde] heeft ook niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat partijen dit toch zo bedoeld zouden hebben (en ook geen verklaring aangedragen waarom partijen dit dan niet zo letterlijk en uitdrukkelijk zouden hebben opgenomen). Ook de ingebrachte facturen (van zowel voor als na de afspraken) vermelden telkens een concrete vervaldatum (zijnde de eerste van de maand).