ECLI:NL:RBLIM:2024:897

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 februari 2024
Publicatiedatum
27 februari 2024
Zaaknummer
C/03/327181 HA RK 24-33
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 lid 2 RvArt. 87 lid 5 RvArt. 4.11 Landelijk procesreglement civiele dagvaardingszakenArt. 6.2 procesreglement civiele dagvaardingszaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van mondeling wrakingsverzoek door onbevoegde derde in handelszaak

In deze zaak diende een derde, niet zijnde de partij of advocaat, een mondeling wrakingsverzoek in tijdens een handelszaak waarbij verplichte procesvertegenwoordiging geldt. De advocaat van de gedaagde partij, die aanwezig was, ondersteunde het verzoek niet en trok zich na het verzoek terug. De wrakingskamer oordeelde dat een mondeling wrakingsverzoek alleen kan worden gedaan door een partij of diens advocaat die bevoegd is het woord te voeren.

De zaak betrof een handelsgeschil waarbij de gedaagde partij niet zelf verscheen, maar werd vertegenwoordigd door een advocaat en een derde persoon met een machtiging. De rechter had deze vertegenwoordiging geaccepteerd, maar formeel voldoet deze situatie niet aan de vereisten van artikel 87 lid 5 Rv Pro. De derde persoon kan slechts als informant worden gezien en is niet bevoegd een wrakingsverzoek in te dienen.

De wrakingskamer overwoog tevens dat in handelszaken de advocaat de aangewezen procesdeelnemer is voor proceshandelingen zoals wraking. Omdat de advocaat het verzoek niet ondersteunde en zich onttrok, is het verzoek niet-ontvankelijk. Ook een herstelmogelijkheid binnen twee weken door een advocaat werd afgewezen omdat het verzoek niet door een bevoegde persoon was gedaan.

De wrakingskamer verklaarde het wrakingsverzoek derhalve niet-ontvankelijk en wees het verzoek af. De beslissing werd op 9 februari 2024 in het openbaar uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg.

Uitkomst: Het mondeling wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door een bevoegde partij of advocaat is ingediend en de advocaat zich onttrok.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK LIMBURG
Wrakingskamer
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 327181 / HA RK 24-33
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker,
dat strekt tot wraking van mr. M. Driever, rechter in de rechtbank Limburg, hierna: de rechter.

1.De procedure

Op 5 februari 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak met nummer 319826 / HA ZA 23-392 tussen [naam 1] als eisende en [verzoeker] als gedaagde partij plaatsgevonden. In deze zaak verschenen namens [verzoeker] zijn advocaat, mr. J.T.J. Gorissen, en [naam 2] (hierna: [naam 2] ). [verzoeker] zelf is niet verschenen.
Kort na aanvang van de zitting heeft [naam 2] de rechter gewraakt. Mr. Gorissen heeft zich ter zitting van de zaak onttrokken.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft een schriftelijke reactie gegeven.
De datum van de uitspraak wordt bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Op grond van artikel 87 lid 5 Rv Pro verschijnen partijen op de mondelinge behandeling in persoon of bij gemachtigde. In zaken waarin zij niet in persoon kunnen procederen, zoals in onderhavige zaak, verschijnen zij bij advocaat. De rechter kan verschijning in persoon bevelen. Partijen die op de mondelinge behandeling in persoon verschijnen, mogen zich laten bijstaan door een gemachtigde; in zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen, is die gemachtigde een advocaat. Artikel 4.11 van het Landelijk proces-reglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken vult dit artikellid nader in door te bepalen dat partijen tijdens de mondelinge behandeling in persoon dienen te verschijnen, tenzij de rechtbank, na gemotiveerd verzoek van een partij bij bericht, anders bepaalt.
2.2.
Op de mondelinge behandeling in deze zaak is de advocaat van [verzoeker] verschenen en verder niet [verzoeker] in persoon, maar [naam 2] , voorzien van een document, ondertekend door [verzoeker] , waarin deze hem machtigt hem te vertegen-woordigen tijdens de zitting van 5 februari 2024. In deze zaak heeft de rechter kennelijk geaccepteerd dat [verzoeker] niet in persoon verschijnt. Kennelijk heeft zij ook geaccepteerd dat [naam 2] namens [verzoeker] inlichtingen verstrekt. Een en ander kan er naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet toe leiden dat [naam 2] formeel [verzoeker] ter zitting vertegenwoordigt. Die situatie verdraagt zich immers niet met art. 87 lid 5 Rv Pro, zodat [naam 2] hooguit als een informant op de zitting kan worden aangemerkt.
2.3.
Ter terechtzitting (zoals een mondelinge behandeling) kan op grond van de tweede volzin van artikel 37 lid 2 Rv Pro een wrakingsverzoek mondeling worden ingediend. Dit kan worden gedaan door degene die bevoegd is ter terechtzitting het woord te voeren, in dit geval de partij en de advocaat. Zoals gezegd hoort [naam 2] niet tot die categorie, zodat het wrakingsverzoek reeds hierom niet-ontvankelijk is.
2.4.
Daarnaast overweegt de wrakingskamer dat in een handelszaak sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging, zodat de advocaat de aangewezen procesdeelnemer is om proceshandelingen te verrichten. Een verzoek tot wraking, zijnde een proceshandeling, kan dan ook alleen ter zitting worden gedaan (en als zodanig worden aangemerkt) als de advocaat het mondelinge verzoek van de partij ondersteunt en overneemt. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat in de opmerkingen van [naam 2] geen aanleiding gezien een wrakingsverzoek in te dienen. Ook hierom is het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk.
2.5.
Voor de volledigheid overweegt de wrakingskamer nog het volgende. Nu de advocaat het verzoek niet heeft ondersteund en zich bovendien na het mondelinge wrakingsverzoek heeft onttrokken, kan de vraag opkomen of ingevolge art. 6.2 van het procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken de mogelijkheid tot herstel dient te worden geboden, in die zin dat de gelegenheid wordt geboden alsnog binnen twee weken door een advocaat een wrakingsverzoek in te laten dienen. De wrakingskamer is van oordeel dat dat niet het geval is, nu het verzoek niet is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, maar door een derde. Er is formeel derhalve geen sprake van een mondeling wrakingsverzoek in deze zaak.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. H.J.M. Quaedvlieg, mr. R.M.M. Kleijkers en
mr. Y.J.C.A. Roeffen, bijgestaan door mr. M.J.W.D. Janssen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2024.