De gemeente Weert verleende een omgevingsvergunning voor het kappen van een watercipres nabij de Wilhelmus Hubertusmolen, een rijksmonument. Eiseres maakte bezwaar tegen deze vergunning en voerde aan dat de kap onnodig is, de molen niet functioneel draait en dat de vergunning strijdig is met het Molenconvenant en het Bomenbeleidsplan Weert 2012.
De rechtbank oordeelde dat het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit niet aan eiseres kan worden tegengeworpen en dat zij belanghebbende is. De vergunning is toegekend op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met een uitgebreide procedure vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan.
De rechtbank stelde vast dat de boom niet monumentaal is, niet beeldbepalend en dat verplaatsing vanwege de leeftijd en conditie niet haalbaar is. Hoewel de molen niet functioneel draait, is het behoud van de windvang voor instandhouding van het rijksmonument noodzakelijk. De kap van de boom draagt bij aan het verbeteren van de windvang, mede gecompenseerd door het planten van een nieuwe boom.
De rechtbank concludeerde dat de kap niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat verweerder de belangen van de boom en molen zorgvuldig heeft afgewogen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.