Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident sub 1] ,
[eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 t/m 15
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid met producties 1 en 2
- de incidentele conclusie van antwoord.
2.De feiten
€ 10.000,00;
1 oktober een en ander op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 500,00 per
4.4. De beoordeling in het incident
voor eisers in de hoofdzaakduidelijk een waarde van minder dan € 25.000,00 vertegenwoordigt. Daarbij is niet doorslaggevend wat de vermoedelijke kosten
voor gedaagde in de hoofdzaakzijn bij toewijzing van deze vordering. In de onderhavige zaak kan niet worden vastgesteld welke waarde de vordering in de hoofdzaak voor eisers vertegenwoordigt, derhalve geldt de hoofdregel dat vorderingen van onbepaalde waarde door de kamer voor andere zaken dan kantonzaken worden behandeld.
5.De beslissing
3 april 2024voor conclusie van antwoord.