In deze civiele procedure vordert eiser betaling van een bedrag van €5.756,25 vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Bij verstek is de vordering toegewezen. Gedaagde stelt verzet in tegen het verstekvonnis en vordert ontheffing van de veroordeling.
De kantonrechter toetst ambtshalve de ontvankelijkheid van het verzet en concludeert dat het verzet niet tijdig is ingesteld. De verzettermijn begint te lopen vanaf betekening van het vonnis, een daad van bekendheid of na tenuitvoerlegging van het vonnis. Op 31 maart 2022 is executoriaal beslag gelegd op de bankrekening van gedaagde, waarmee het vonnis als ten uitvoer gelegd wordt beschouwd.
Hoewel gedaagde pas op 26 april 2022 van het beslag op de hoogte was, is dit niet relevant. De kantonrechter gaat ervan uit dat aan de beslaglegger is betaald en het vonnis ten uitvoer is gelegd. Hierdoor is de verzettermijn verstreken en wordt gedaagde niet ontvankelijk verklaard. Het verstekvonnis blijft onverminderd van kracht en gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.