Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 1 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen
Rechtbank Limburg
InBev Nederland en [gedaagde] zijn sinds 1 oktober 2020 huurder en verhuurder van een bedrijfsruimte met afhankelijke bedrijfswoning. De huurprijs bedroeg tot oktober 2024 € 4.476,79 en is per november 2024 verhoogd naar € 4.622,04 per maand.
InBev Nederland vordert in kort geding ontruiming van de gehuurde ruimtes wegens een huurachterstand van ruim vijf maanden. Ondanks herhaalde betalingsherinneringen heeft [gedaagde] geen betalingen verricht, ook niet voor oktober en november 2024. InBev Nederland vordert tevens betaling van de huurachterstand, een boete, toekomstige huur, buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten.
[gedaagde] is niet verschenen op de mondelinge behandeling, waarna verstek is verleend. De kantonrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en wijst de vorderingen toe, met uitzondering van de gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen die wordt verlengd naar twee weken. Een machtiging aan InBev Nederland om zelf te ontruimen wordt afgewezen omdat ontruiming wettelijk door een deurwaarder moet worden uitgevoerd.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot ontruiming binnen twee weken na betekening, betaling van € 23.220,26 aan achterstallige huur, rente en incassokosten, betaling van de maandelijkse huur tot ontruiming, en betaling van proceskosten van € 2.222,97. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen twee weken en betaling van achterstallige huur, rente, incassokosten, toekomstige huur en proceskosten.