ECLI:NL:RBLIM:2024:7014

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
11293939 Cv EXPL 24-4455
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 BWArt. 5:42 BWAVG
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding wegens ontbreken spoedeisend belang bij erfafscheiding en privacygeschil

In deze zaak vordert eiser dat zijn buurman wordt veroordeeld tot het uitvoeren van snoei- en opruimwerkzaamheden aan de erfgrens, het verwijderen van afval, het snoeien of verwijderen van bomen en struiken nabij de erfgrens, en het verwijderen van een camera die volgens eiser inbreuk maakt op zijn privacy. Tevens vordert eiser betaling van een hovenierfactuur.

De rechter beoordeelt in kort geding of er sprake is van een spoedeisend belang en of de vorderingen kans van slagen hebben in de bodemprocedure. Eiser stelt dat zijn woning bij verkoop minder waard wordt door de situatie, maar heeft geen concrete verkoopplannen of bewijs daarvoor aangevoerd. Daarnaast is de erfgrens aan de voorzijde inmiddels gesnoeid en opgeruimd, waardoor geen dringende noodzaak meer bestaat.

Wat betreft de camera stelt eiser dat deze inbreuk maakt op zijn privacy, maar de camera is al jarenlang aanwezig en er zijn geen concrete feiten die onmiddellijke verwijdering rechtvaardigen. Bovendien heeft gedaagde een gerechtvaardigd belang bij de camera, die op aanraden van de politie is geplaatst. De rechter concludeert dat het spoedeisend belang ontbreekt en wijst de vorderingen af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11293939 CV EXPL 24-4455
Vonnis in kort geding van 8 oktober 2024
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. P.M.H. Cruts,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.H.A. Nieste.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 30 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij deze gelegenheid zijn door partijen producties ingebracht.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn buren van elkaar en broer en zus. Partijen hebben al jarenlang geen goede verstandhouding.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van snoei- en opruimwerkzaamheden aan de erfgrens aan de voorzijde, het (laten) verwijderen van vuil en afval dat is opgehoopt tegen de schutting van de achtererfgrens, het (laten) snoeien en/of verwijderen van bomen en struiken welke binnen een meter van de erfgrens staan, het verwijderen van de camera aan de achtergevel, een en ander op straffe van een dwangsom. Daarnaast is gevorderd de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een offerte/factuur van de hovenier ad € 3.690,50.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat sprake is van onrechtmatige hinder ex artikel 5:37 BW Pro en dat de begroeiing zich niet binnen de norm van 5:42 BW bevindt. Het filmen is in strijd met de AVG en Privacywetgeving.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
erfafscheiding
4.2.
[eiser] stelt dat de spoedeisendheid erin ligt dat hij het risico loopt dat zijn woning bij verkoop beduidend minder zal opbrengen. Over die gestelde verkoop (te verwachten termijn. lopende voorbereidingen etc.) heeft [eiser] echter niets gesteld. Er zijn ter onderbouwing ook geen stukken ingebracht die duiden op een ophanden zijnde verkoop of verhuizing. Het spoedeisend belang ontbreekt reeds hiermee.
4.2.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is bovendien komen naar voren gekomen dat de erfgrens aan de voorzijde inmiddels is gesnoeid en opgeruimd. Dat [eiser] hiertoe zelf een hovenier heeft ingeschakeld, maakt dit niet anders. Er is hiermee al geen dringende noodzaak om werkzaamheden aan de erfgrens aan de voorzijde uit te (laten) voeren (daargelaten of die noodzaak er voorheen wel was). Er is ook geen dringende noodzaak gegeven voor het plaatsen van een nieuwe schutting in de voortuin. Op de ingebrachte foto’s is een muurtje als feitelijke afscheiding te zien, terwijl door [gedaagde] ook betwist wordt dat voorheen een schutting op de erfgrens stond. [gedaagde] heeft er geen bezwaren tegen dat [eiser] op zijn perceel, en op zijn kosten, een schutting plaatst.
Uit de ingebrachte stukken is ook niet op te maken dat thans sprake zou van zijn van onrechtmatige hinder in de achtertuin van [gedaagde] . [eiser] heeft de constatering van de gemachtigde van [gedaagde] , die zeer recent ter plaatse is geweest en geen afval heeft geconstateerd, niet betwist. Dat de aanwezige erfafscheiding niet de schoonheidsprijs verdient, geeft geen reden om dringend in te grijpen. Daarbij heeft [gedaagde] nog onbetwist gesteld dat aan de kant van [eiser] overwoekerende bamboe staat, waardoor de erfafscheiding aan zijn kant aan het zicht is onttrokken. Volgens [gedaagde] drukt juist die bamboe tegen de erfafscheiding. Van de kant van [eiser] is ook niet toegelicht waarom een onmiddellijke voorziening is vereist voor wat betreft de snoei of verwijdering van bomen en heesters; er is overigens ook niet betwist dat op grond van de gemeentelijke bepalingen de bomen (0,5 meter) en heesters (nihil) niet in de verboden zone staan.
camera
4.3.
[eiser] stelt dat de spoedeisendheid is gegeven door de continue aanwezige inbreuk op de privacy. [eiser] heeft evenwel onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. De camera in kwestie is immers al jarenlang aanwezig.
4.3.1.
[eiser] heeft in dit verband gesteld dat hem eerst onlangs, naar aanleiding van beelden die getoond zijn in een civiele procedure, is gebleken dat de camera zicht heeft op zijn achtertuin, maar dit betreft niet meer dan een blote stelling. Die bedoelde beelden zijn niet ingebracht. Uit de ingebrachte foto’s is niet af te leiden dat de camera zicht heeft op de achtertuin van [eiser] (maar veeleer op het platte dak van [gedaagde] richting de perceelgrens). Er is al daarmee geen dringende noodzaak aan te wijzen om die camera te laten verwijderen. Daarbij komt nog dat [gedaagde] een belang heeft bij een camera gericht op de perceelgrens. [eiser] is in juni 2022 nog door de strafrechter veroordeeld nadat hij, in eigen termen, “door het lint is gegaan”. [gedaagde] heeft juist op aanraden van de politie de camera geplaatst. [gedaagde] heeft overigens nog verklaard, en dat is evenmin betwist, dat [eiser] van zijn kant een camera heeft gericht op de woonkamer van [gedaagde] . [eiser] neemt het dan ook kennelijk niet zo nauw met de privacy van [gedaagde] .
4.4.
Gezien het vorenstaande zijn de vorderingen niet toewijsbaar omdat het spoedeisend belang ontbreekt. Dit geldt eveneens voor de vordering om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de factuur van de hovenier.
4.5.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
881,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 881,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2024.
NIv