De rechtbank Limburg behandelde op 17 september 2024 een zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan de productie en handel van MDMA. De tenlastelegging betrof het vervaardigen, telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van MDMA, alsmede het ter beschikking stellen van een kelderbox voor de productie van harddrugs.
De officier van justitie vorderde vrijspraak van het primair tenlastegelegde, maar stelde dat verdachte medeplichtig was door zijn kelderbox ter beschikking te stellen. De verdediging betoogde dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor een rol van voldoende gewicht en dat verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de kelderbox.
De rechtbank oordeelde dat de bijdrage van verdachte onvoldoende was voor medeplegen en dat er geen overtuigend bewijs was voor medeplichtigheid. Hoewel verdachte zijn kelderbox had uitgeleend en mogelijk een vermoeden had van activiteiten, ontbrak het aan bewijs dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat MDMA werd vervaardigd.
Daarom sprak de rechtbank verdachte integraal vrij. Tevens werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf afgewezen en werd beslag op een telefoon opgeheven en teruggegeven aan verdachte.