Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
substantieelwordt aangetast (Kamerstukken II 1999/2000, 26089, nr. 6, p. 11).
Rechtbank Limburg
De huurder van een woning met tuin vorderde een huurprijsvermindering van 10% wegens verminderd huurgenot door de plaatsing van een betonnen schutting door de achterburen, die volgens haar deels op haar gehuurde tuin zou staan. De verhuurder stelde dat de schutting op het eigen perceel van de buren stond en bood aan de tuin te verbeteren.
De kantonrechter oordeelde dat de luchtfoto's die de huurder overlegd had onvoldoende betrouwbaar waren om vast te stellen dat de schutting de kadastrale grens overschreed. Een kadastrale inmeting ontbrak. Daarnaast was in de huurovereenkomst geen kadastrale begrenzing van de tuin opgenomen, waardoor de huurder hier geen rechten aan kon ontlenen.
Zelfs als de schutting op het perceel van de verhuurder zou staan, was het verlies van circa 3,2 m² tuinoppervlakte onvoldoende om een huurprijsvermindering te rechtvaardigen. De kantonrechter stelde vast dat het bruikbare tuinoppervlak zelfs groter leek door de vervanging van een brede coniferenhaag door een smalle schutting. Esthetische bezwaren van de huurder werden onvoldoende geacht voor huurprijsvermindering.
De kantonrechter wees de vordering van de huurder af en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten. De verhuurder had haar vordering tot betaling huurachterstand en ontbinding van de huurovereenkomst ingetrokken na een regeling over de huurachterstand.
Uitkomst: De vordering tot huurprijsvermindering wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.