Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:6616

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
24 september 2024
Zaaknummer
04.850164.12 (vi)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Herroeping
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2:13 SvWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens overtreding meldplicht

De rechtbank Limburg behandelde op 10 september 2024 de vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, die was veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf. De vordering betrof het niet voldoen aan de meldplicht, een voorwaarde verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De verdediging stelde dat de overtreding dezelfde was als bij een eerdere herroeping en dat de veroordeelde niet tijdig op de hoogte was van die eerdere herroeping. Ook werd aangevoerd dat het contact met de toezichthouder via WhatsApp en telefoon verliep zoals altijd en dat een volledige herroeping disproportioneel zou zijn gezien de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde.

De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde zich na de eerdere gedeeltelijke herroeping niet had verbeterd en zich onttrok aan de meldplicht. Hoewel de veroordeelde op de hoogte was van de eerdere terugmelding, veranderde dit zijn gedrag niet. Gezien de recente eerdere herroeping vond de rechtbank een volledige herroeping disproportioneel en legde zij een herroeping op voor een periode van zes maanden.

De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Limburg en uitgesproken op 24 september 2024.

Uitkomst: De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt gedeeltelijk herroepen voor een periode van zes maanden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 04.850164.12 (vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling)
V.i.-zaaknummer : 99.000360.49
Datum uitspraak : 24 september 2024
Tegenspraak
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg.
De vordering houdt in dat de rechtbank beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van
[veroordeelde],
geboren te [geboortedatum] 1986,
thans gedetineerd in de [adres PI] ,
hierna te noemen: de veroordeelde,
geheel wordt herroepen.
De veroordeelde wordt bijgestaan door mr. S.C. van der Leer, advocaat kantoorhoudende te Alkmaar.

1.Het onderzoek van de zaak

De rechtbank heeft de vordering behandeld tijdens de openbare terechtzitting van 10 september 2024. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman. Voorts is als deskundige gehoord A. van Putten, reclasseringswerker.

2.De beoordeling

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd. Daartoe heeft zij – kort gezegd – aangevoerd dat de veroordeelde ook na de eerdere herroeping niet heeft voldaan aan de meldplicht door geen contact meer op te nemen met zijn toezichthouder.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van het openbaar ministerie dient te worden afgewezen. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:
De overtreding die aan deze vordering ten grondslag ligt – het niet voldoen aan de meldplicht – is dezelfde als bij de vorige herroeping. Die beslissing tot herroeping is echter pas na het indienen van deze vordering bij de veroordeelde bekend geworden. Daarnaast is het contact niet anders verlopen dan het altijd al verliep, via WhatsApp of door te bellen. De veroordeelde had ten tijde van zijn aanhouding een bestaan opgebouwd in Portugal, met een woning, werk en een relatie. Dit dreigt hij allemaal te verliezen indien de vordering wordt toegewezen. Een toewijzing is daarmee buitenproportioneel voor de veroordeelde.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof
’s-Hertogenbosch d.d. 5 juni 2015 veroordeeld tot, voor zover relevant, een gevangenisstraf van 12 jaren met aftrek van het voorarrest.
Met ingang van 1 juli 2021 is de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling in het Wetboek van Strafvordering gewijzigd. Nu voormeld vonnis dateert van voor deze datum, is de oude regeling onverminderd van toepassing. Waar hierna artikelen worden vermeld, verwijzen die naar de artikelen zoals die luidden voor 1 juli 2021.
De veroordeelde is op 19 juni 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De periode waarvoor de voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend, behelsde toentertijd 1.460 dagen. Bij beslissing van deze rechtbank, uitsproken op 14 februari 2024, zijn reeds 365 dagen van deze voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen. Het in totaal resterende aantal dagen van de onderhavige vordering behelst daarmee 1.095 dagen.
Op grond van artikel 6:2:13 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.
Ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde na de gedeeltelijke herroeping van 14 februari 2024 geen verandering in zijn gedrag heeft laten zien. Uit het ‘Advies aan opdrachtgever – voortijdige negatieve beëindiging toezicht reclassering’ van 15 april 2024 blijkt dat de veroordeelde na 27 december 2023 – het moment dat het vorige advies is opgemaakt – op geen enkele manier contact heeft opgenomen met de reclassering. De veroordeelde heeft zich onttrokken aan de meldplicht en daardoor de voorwaarden voor de voorwaardelijke invrijheidstelling overtreden. Daarmee komt in beginsel de gehele vordering voor toewijzing in aanmerking.
De verdediging heeft aangevoerd dat de veroordeelde tot zeer recent niet wist van de eerdere herroeping en daarmee de gevolgen van het zich (blijven) onttrekken aan toezicht niet heeft overzien. Uit de door de verdediging overgelegde WhatsApp-gesprekken blijkt echter dat de veroordeelde op de hoogte was van de aan de vorige herroeping voorafgaande ‘terugmelding’ van de reclassering en geplande zitting. Dit gegeven heeft echter niks veranderd in het gedrag van de veroordeelde, ondanks dat de reden van de terugmelding eveneens aan hem is medegedeeld.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde – als aangevoerd door de verdediging – en gezien de recente eerdere herroeping van 365 dagen is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van de vordering voor een periode van 1.095 dagen disproportioneel is. De rechtbank zal de vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toewijzen voor een periode van 6 maanden.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering van het openbaar ministerie (gedeeltelijk) toe;
- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor de duur van 6 maanden moet worden ondergaan.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.J.E. Hamers-Aerts, voorzitter, mr. M.B. Bax en mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten en mr. D.V. Haring, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 24 september 2024.