Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- € 380,00 ter zake van post ‘medische kosten’;
- € 80,12 ter zake van de post ‘reiskosten’;
- € 1.323,74 ter zake van de post ‘kosten verkoop woning’;
- € 2.129,39 ter zake van de post ‘opslagkosten’;
- € 7.428,00 ter zake van de post ‘verhuiskosten’;
- € 150,00 ter zake van de post ‘herstelkosten auto’.
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- legt op de
- bepaalt de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan op 1 week, met een maximum van 6 maanden, en met dien verstande dat de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de maatregel niet opheft;
- beveelt dat deze
- wijst de vordering van de benadeelde partij [naam slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] te betalen een bedrag van € 16.563,25, bestaande uit € 6.563,25 aan materiële schade en
- verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer] voor het meergevorderde aan materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij [naam slachtoffer] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;
- legt aan verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam slachtoffer] van € 16.563,25, bestaande uit € 6.563,25 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 18 oktober 2023 tot aan de dag van de volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 117 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat voor zover dit bedrag door een of meer mededaders is betaald, de verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
mr. K. Mestrom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M.J.G.A. van Hinsberg, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 september 2024.