De zaak betreft een geschil over de betaling van extra loon bovenop een vaste prijs voor boekhoudkundige werkzaamheden die eiseres aan gedaagde heeft verricht. Eiseres stelde dat door toegenomen werkzaamheden meer loon verschuldigd was dan het vaste bedrag van € 3.156 per jaar. Gedaagde voerde verweer dat een vaste prijs was overeengekomen en dat alleen dit bedrag verschuldigd was.
De kantonrechter oordeelde dat uit de offerte en opdrachtbevestiging een vaste prijs per jaar was afgesproken en dat de vermelding dat gedeclareerd zou worden naar gelang de werkzaamheden vorderden, niet betekende dat er op uurbasis mocht worden gedeclareerd. De extra facturen betroffen werkzaamheden die soms jaren geleden waren verricht en niet controleerbaar waren of zij onder de vaste prijs vielen.
Ook het verweer van gedaagde tegen de maten van de maatschap van eiseres, die zij aansprakelijk stelde voor onrechtmatig handelen, werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Beide partijen werden veroordeeld in hun proceskosten. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter W.A. Swildens en op 18 september 2024 in het openbaar uitgesproken.