Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:6051

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 augustus 2024
Publicatiedatum
9 september 2024
Zaaknummer
10819821 \ CV EXPL 23-5242
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 BWArt. 18 lid 2 Verordening nr. 1215/2012 (Brussel I-bis)Art. 3 Verordening nr. 593/2008 (Rome I)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering webshop wegens onvoldoende bewijs levering bestellingen

In deze zaak vordert een webshop gevestigd in Duitsland betaling van openstaande facturen van een Nederlandse consument die diverse bestellingen heeft geplaatst. De consument erkent de overeenkomst, maar betwist de ontvangst van de bestelde artikelen. De webshop stelt dat de consument nog een bedrag van € 323,95 verschuldigd is, vermeerderd met rente en incassokosten.

De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst. Uit de feiten blijkt dat de consument meerdere bestellingen heeft gedaan en dat één bestelling retour is gezonden, waarvoor correctie op het factuurbedrag is toegepast. De webshop heeft echter onvoldoende bewijs geleverd dat de overige bestellingen daadwerkelijk zijn geleverd.

De consument heeft aangevoerd dat zij tijdens de leveringsdata op vakantie was en dat de bestellingen niet bij haar of haar buren zijn afgeleverd. Ook heeft zij stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij contact heeft gehad met de webshop over de niet-geleverde artikelen. De webshop heeft nagelaten bewijs te leveren, zoals verklaringen van de bezorgdienst, die haar stellingen zouden kunnen onderbouwen.

De rechtbank oordeelt dat de webshop onvoldoende heeft aangetoond dat de consument de bestellingen heeft ontvangen en wijst de vordering af. De proceskosten worden aan de webshop opgelegd. Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter A. de Boer en op 28 augustus 2024 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot betaling van openstaande facturen wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van levering.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10819821 \ CV EXPL 23-5242
Vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2024
in de zaak van:
de vennootschap naar buitenlands recht,
[eiser]h.o.d.n.
[handelsnaam]
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. M.A.C.J. van Doormaal,
tegen:
[gedaagde]
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
die in persoon procedeert.
Partijen worden hierna genoemd ‘ [handelsnaam] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 14 november 2023 met de producties 1 tot en met 5,
  • de conclusie van antwoord van 7 februari 2024 met producties, de aanvullende stukken van 24 januari 2024 en de aanvullende stukken van 30 januari 2024
  • de conclusie van repliek van 28 maart 2024 met productie,
  • de conclusie van dupliek van 6 mei 2024 met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.Kern van de zaak

2.1.
[handelsnaam] voert een webshop. [gedaagde] heeft diverse online bestellingen gedaan bij [handelsnaam] . [handelsnaam] stelt dat [gedaagde] hiervoor nog € 323,95 moet betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten. [gedaagde] betwist de overeenkomst niet, maar betwist wel dat zij de artikelen heeft ontvangen. [gedaagde] krijgt gelijk, de vorderingen worden afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.1.
De kantonrechter stelt vast dat het onderhavige geschil een internationaal karakter draagt, omdat [handelsnaam] in Duitsland is gevestigd. Allereerst moet daarom ambtshalve te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op dit geschil van toepassing is.
3.2.
Op grond van artikel 18 lid 2 van Pro Verordening nr. 1215/2012 betreffende rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis) is de Nederlandse rechter bevoegd, omdat [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland.
3.3.
Niet in geschil is dat op de overeenkomt tussen partijen de algemene voorwaarden van [handelsnaam] van toepassing zijn. Nederlands recht is van toepassing, want er is in die algemene voorwaarden gekozen voor Nederlands recht. Op grond van artikel 3 van Pro de Verordening nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) is het Nederlands recht dan ook van toepassing.
[gedaagde] heeft meerdere bestellingen gedaan bij [handelsnaam]
3.4.
Vast staat dat [gedaagde] op 10 juni 2022, 7 juli 2022, 20 juli 2022 en 2 augustus 2022 bestellingen heeft gedaan bij [handelsnaam] . [handelsnaam] heeft voor die bestellingen de volgende facturen aan [gedaagde] gestuurd:
  • factuur 221500612493 van 10 juni 2022 van € 34,99
  • factuur 221500640016 van 7 juli 2022 van € 147,48
  • factuur 221500653569 van 20 juli 2022 van € 76,48
  • factuur 221500661232 van 2 augustus 2022 van € 135,98
3.5.
[handelsnaam] heeft van factuur 221500653569 retourzendingen ontvangen. Er is daarvoor een aankoopbedrag van € 47,99 in mindering gebracht. [gedaagde] heeft één betaling verricht. In de dagvaarding stelt [handelsnaam] dat [gedaagde] een bedrag van € 47,99 heeft betaald. De kantonrechter begrijpt dat dit bedrag abusievelijk is genoemd door [handelsnaam] , omdat zij later in haar conclusie van repliek een bedrag van € 22,99 noemt en dit bedrag ook overeenstemt met de openstaande factuur.
3.6.
[handelsnaam] vordert betaling van een bedrag van € 389,19, bestaande uit het totaal openstaande factuurbedrag van € 323,95, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.
[handelsnaam] heeft onvoldoende onderbouwd dat de bestellingen zijn ontvangen
3.7.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] de bestellingen heeft ontvangen en of [gedaagde] daarom de facturen moet betalen. [gedaagde] betwist dat zij de bestellingen heeft ontvangen en daarmee dus de opeisbaarheid van de koopsommen. Op grond van artikel 7:26 lid 2 BW Pro moet de koopsom in beginsel worden betaald ten tijde van de aflevering. In dit geval is overeengekomen dat [gedaagde] de koopsom binnen 21 dagen na ontvangst van de bestelling betaalt. Het is aan [handelsnaam] om haar stelling dat de bestellingen door [gedaagde] zijn ontvangen en dat de koopsommen dus opeisbaar zijn, te onderbouwen. Dat heeft [handelsnaam] , gelet op de betwisting van [gedaagde] , onvoldoende gedaan.
3.8.
[handelsnaam] stelt ter onderbouwing dat [gedaagde] twee bestellingen retour heeft gestuurd, namelijk de bestelling voor factuur 221500585308 op 6 juni 2022 en de bestelling voor factuur 221500653569 op 3 augustus 2022. Als [gedaagde] de bestelling niet had ontvangen, dan was het onmogelijk de bestellingen te retourneren, aldus [handelsnaam] .
3.9.
[handelsnaam] heeft het hier echter over een bestelling die geen onderdeel is van het geschil (factuur 221500585308) en een bestelling waarvan [gedaagde] heeft erkend dat zij deze heeft ontvangen (factuur 221500653569). Dat [handelsnaam] deze zendingen retour heeft ontvangen zegt dus niets over de levering van de andere bestellingen.
3.10.
[gedaagde] betwist de levering van de overige bestellingen. Ze was op vakantie tijdens de gestelde leveringen, dus de bestellingen kunnen niet aan haar in persoon zijn geleverd. Ook is er niets bij de buren geleverd, of bij de pakketpunten in de buurt, terwijl dit door andere pakketbezorgers wel werd gedaan als ze niet thuis was. Ze heeft gevraagd om een verklaring van de PostNL bezorger, maar nergens blijkt uit dat [handelsnaam] contact heeft opgenomen met PostNL. [gedaagde] heeft ter onderbouwing stukken overgelegd waaruit volgt dat zij contact heeft gehad met [handelsnaam] over het feit dat de bestellingen niet geleverd waren. Hieruit volgt dat [gedaagde] meermaals aan [handelsnaam] heeft aangegeven de artikelen niet te hebben ontvangen.
3.11.
Het had, gelet op deze betwisting van [gedaagde] , op de weg van [handelsnaam] gelegen om haar stelling met stukken te onderbouwen, zoals een verklaring of informatie vanuit de bezorgdienst, maar dat heeft zij niet gedaan. Het staat dus niet vast dat [gedaagde] de bestellingen ontvangen heeft. De vordering voor de openstaande facturen wordt afgewezen.
Proceskosten
3.12.
De proceskosten komen voor rekening van [handelsnaam] , omdat zij ongelijk krijgt. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil, omdat [gedaagde] in persoon procedeert.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [handelsnaam] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.