ECLI:NL:RBLIM:2024:5398

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juli 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
C/03/327893 / HA ZA 24-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vorderingen inzake verdeling pensioenrechten conform convenant en WVPS

Eiseres vordert de naleving van een convenant uit 2008 betreffende de verdeling van pensioenrechten tussen haar en gedaagde. Gedaagde heeft ondanks meerdere uitstelverzoeken geen conclusie van antwoord genomen, waardoor zijn verweer ontbreekt. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres toe, met uitzondering van een termijn in één van de vorderingen die zij aanpast naar vier weken.

De rechtbank verklaart dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door het convenant en veroordeelt gedaagde om het ABP te machtigen om pensioenaanspraken rechtstreeks aan eiseres uit te keren. Indien verevening alleen voor de toekomst mogelijk is, moet gedaagde alsnog de toekomstige pensioenaanspraken en eventuele indexeringen voldoen, vermeerderd met wettelijke rente.

Bij weigering van medewerking door het ABP wordt gedaagde verplicht om de bruto pensioenuitkeringen maandelijks aan eiseres te verstrekken. Tevens wordt een dwangsom van €1.000 per dag opgelegd bij niet-naleving, met een maximum van €50.000. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten van €1.249,68. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de verklaring voor recht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres toe en veroordeelt gedaagde tot medewerking aan pensioenverdeling conform convenant en WVPS, met een dwangsom en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/327893 / HA ZA 24-99
Vonnis van 10 juli 2024
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. D.I.A. Schröder,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. de Block.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 15
  • de akte niet-dienen van 24 april 2024, omdat [gedaagde] ondanks verleend uitstel geen conclusie van antwoord heeft genomen. Vervolgens is [eiseres] alsnog akkoord gegaan met het nemen van een conclusie van antwoord door [gedaagde] . Na verleend uitstel is weer geen conclusie van antwoord door [gedaagde] genomen, waarna op 22 mei 2024 wederom een akte niet-dienen is verleend.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[gedaagde] heeft de vorderingen van [eiseres] niet weersproken, zodat de vorderingen zullen worden toegewezen, behoudens voor zover het de termijn betreft die gevorderd wordt in vordering VII van het petitum. [gedaagde] heeft geen invloed op de termijn die het ABP nodig heeft om het in vordering VII genoemde bewijsstuk te verstrekken. De rechtbank zal daarom zekerheidshalve de termijn bepalen op vier weken.
2.2.
Bezien in het licht van hetgeen in het lichaam van de dagvaarding staat, leest en begrijpt de rechtbank het bij petitum sub III, IV en V gevorderde aldus dat [eiseres] nog niet weet hoe het ABP zal gaan reageren en zij anticiperend daarop een aantal varianten vordert voor het geval die zich mochten voordoen. In zoverre zijn de kopjes die in het petitum staan (“primair, subsidiair en meer subsidiair”) nodeloos, reden waarom de rechtbank daaraan voorbijgaat.
2.3.
De rechtbank ziet in de houding van [gedaagde] aanleiding hem te veroordelen in de
-forfaitaire en niet, zoals gevorderd de reële- proceskosten (inclusief de nakosten), tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,68
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
614,00
(een punt × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.249,68

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verklaart voor recht dat de rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot de verdeling van de pensioenrechten wordt beheerst door het door partijen ondertekende convenant van 10 juni 2008,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis het ABP te machtigen om namens hem vanaf 23 oktober 2023 alle nog openvallende pensioenaanspraken waarop [eiseres] op grond van de WVPS aanspraak kan maken rechtstreeks aan haar uit te keren,
3.3.
indien het pensioen uitsluitend voor de toekomst kan worden verevend: veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis het ABP te machtigen om namens hem vanaf heden de toekomstige nog open te vallen pensioenaanspraken waarop [eiseres] op grond van de WVPS aanspraak kan maken rechtstreeks aan haar uit te keren,
3.4.
indien het pensioen uitsluitend voor de toekomst kan worden verevend: veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te voldoen aan de pensioentermijnen waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken, inclusief de (eventuele) jaarlijkse indexeringen vanaf 23 oktober 2023 tot heden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,
3.5.
voor zover het ABP weigert om de hiervoor onder 3.2 en 3.3 bedoelde medewerking te verlenen: veroordeelt [gedaagde] om maandelijks aan [eiseres] de bruto pensioenuitkeringen te verstrekken waarop zij op grond van de WVPS aanspraak kan maken,
3.6.
veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat
hij niet voldoet aan het onder 3.2 en 3.3 genoemde, met een (totaal) maximum van
€ 50.000,00,
3.7.
veroordeelt [gedaagde] om binnen vier weken na betekening van het vonnis een
bewijsstuk te verstrekken van het ABP waarin bevestigd wordt dat [eiseres] recht heeft op het
tijdens het huwelijk door [gedaagde] opgebouwde nabestaandenpensioen,
3.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.249,68, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.9.
verklaart het vonnis, met uitzondering van hetgeen onder 3.1. staat, uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2024.
JC