De zaak betreft een geschil tussen twee besloten vennootschappen over de betaling van meerwerk en gewijzigde werkzaamheden in een tegelproject. Eiseres vordert betaling van een bedrag van €33.033,-- voor meerwerk, onderbouwd met diverse facturen en producties.
Limburg Tegelwerken betwist de omvang en aard van het meerwerk, stelt dat veel werkzaamheden onder de oorspronkelijke overeenkomst vallen en voert aan dat facturen niet tijdig zijn geaccordeerd. De rechtbank constateert dat ondanks eerdere tussenvonnissen eiseres niet voldoende bewijs heeft geleverd voor het gevorderde bedrag, mede door het ontbreken van een degelijke administratie.
De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres af en veroordeelt haar in de proceskosten. In reconventie worden de vorderingen van Limburg Tegelwerken eveneens afgewezen, maar wordt zij veroordeeld in de proceskosten ten gunste van eiseres. Beide kostenveroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.