De moeder verzocht de rechtbank om de kinderalimentatie te verhogen vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder haar huwelijk met een stiefvader die ook onderhoudsplichtig is en een vermeende stijging van de draagkracht van de vader. De vader betwistte deze wijziging en stelde dat de behoefte van de kinderen niet was gestegen en dat de moeder meer zou kunnen werken.
De rechtbank constateerde dat de omstandigheden inderdaad waren gewijzigd, maar vond de extra kosten, zoals zwemlessen, niet uitzonderlijk hoog om een verhoging te rechtvaardigen. Ook werd rekening gehouden met de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen, waarbij de draagkracht van de vader, moeder en stiefvader gelijkelijk werd verdeeld over de kinderen.
De rechtbank legde uit dat de bijtelling van de auto van de zaak niet in mindering werd gebracht op het inkomen van de vader omdat het loon niet op loon voor loonheffing basis was vastgesteld. De draagkracht van de vader werd vastgesteld op € 204 per kind per maand. De draagkracht van de moeder en stiefvader bedroeg respectievelijk € 227 en € 260 per kind per maand.
Na een draagkrachtvergelijking concludeerde de rechtbank dat de huidige alimentatie voldoende was en wees het verzoek tot verhoging af. Beide ouders moeten hun eigen proceskosten dragen. De beschikking werd uitgesproken door rechter K.M. Braun op 1 augustus 2024.