De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de man om voor recht te verklaren dat hij samen met de vrouw belast is met het ouderlijk gezag over hun kind, geboren tijdens het huwelijk van de vrouw met een ander. De vrouw betwistte de geldigheid van de geboorteaangifte en erkenning volgens Italiaans recht, maar de rechtbank oordeelde dat de erkenning rechtsgeldig is en het gezamenlijk gezag volgens Italiaans recht bestaat.
De rechtbank paste vervolgens Nederlands recht toe op het gezagsvraagstuk, gelet op de gewone verblijfplaats van het kind in Nederland en de toepasselijkheid van de Brussel II-ter Verordening en het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen werd afgewezen, omdat niet was gebleken dat het belang van het kind daardoor geschaad zou worden.
Ten aanzien van de kinderalimentatie stelde de vrouw een hogere behoefte vast op basis van haar gestegen inkomen, terwijl de man stelde dat hij vanwege de hoge kosten van de internationale omgang en het ontbreken van inkomsten uit zijn nieuwe bedrijf geen draagkracht heeft. De rechtbank achtte de verklaring van de man aannemelijk en concludeerde dat er geen draagkracht is voor kinderalimentatie, mede omdat de vrouw en haar echtgenoot samen in de behoefte van het kind kunnen voorzien.
De rechtbank verklaarde het gezamenlijk gezag van de man en vrouw over het kind en wees het verzoek tot kinderalimentatie af. De beschikking werd uitgesproken door rechter M.C.A.E. van Binnebeke op 29 juli 2024.