Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:4596

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 juni 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
C/03/331477 / FT RK 24/244 en C/03/331481 / FT RK 24/245
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 lid 1 FwArt. 287 lid 4 FwArt. 5.3.3 bijlage III Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing moratorium en niet-ontvankelijkheid schuldsaneringsverzoek wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende hulpverlening

Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en een voorlopige voorziening om de executie van een ontruimingsvonnis op te schorten. De rechtbank stelt vast dat verweerder uitvoering wil geven aan het vonnis, waardoor het spoedeisend belang aanwezig is en verzoekster ontvankelijk is.

De rechtbank beoordeelt vervolgens of het verzoek tot moratorium toewijsbaar is. Verzoekster voldoet niet aan de eisen van goede trouw en nakoming van verplichtingen zoals gesteld in artikel 284 lid 1 Faillissementswet Pro. Zij ontving een erfenis die voldoende was om haar schulden te voldoen, maar heeft desalniettemin geld geleend en een groot bedrag overgemaakt voor een medische behandeling van een onbekende derde in het buitenland zonder verificatie, wat wijst op kwade trouw.

Daarnaast is haar geestelijke toestand instabiel, waardoor zij niet in staat zal zijn te voldoen aan de arbeidsverplichtingen van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank concludeert dat er geen ruimte is voor een moratorium en wijst het verzoek af. Tevens verklaart zij het schuldsaneringsverzoek niet-ontvankelijk omdat het schuldhulpverleningstraject nog niet is opgestart.

Uitkomst: Het verzoek tot moratorium wordt afgewezen en het schuldsaneringsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond afwijzing moratorium
Toezicht / insolventies
rekestnummer: C/03/331477 / FT RK 24/244 en C/03/331481 / FT RK 24/245
uitspraakdatum: 14 juni 2024
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
hierna: verzoekster,
tegen:
de stichting Stichting Antares Woonservice,
gevestigd en kantoorhoudende aan de Venloseweg 7,
5931 GR te Tegelen,
hierna: verweerder.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 4 juni 2024 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en het geven van een voorlopige voorziening bij voorraad.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling, op 11 juni 2024, zijn verschenen de verzoekster, bijgestaan door [naam beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder, [naam 1] en [naam 2] namens de gemeente Venlo, en [naam 3] en [naam 4] namens Stichting Antares Woonservice.
1.3
De uitspraak is nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van de rechtbank Limburg d.d. 9 januari 2024 is bepaald dat de verzoekster haar huurwoning aan de [adres] , [woonplaats] , dient te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de verweerder dient te stellen.

3.Het verzoek

3.1.
Het ter zitting aangevulde verzoek strekt ertoe dat de verweerder wordt bevolen gedurende zes maanden de executie van het vonnis van 9 januari 2024 op te schorten.

4.De beoordeling

Moratorium
4.1
Het verzoek is gebaseerd op artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro (Fw.).
4.2
De verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven nog steeds uitvoering te willen geven aan het ontruimingsvonnis. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven. Nu zij tevens een schuldsaneringsverzoek heeft ingediend, is de verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.
4.3
Voor toewijzing van het verzoek is van belang of voldoende aannemelijk is dat het schuldsaneringsverzoek zal worden toegewezen. Dat acht de rechtbank niet het geval. omdat de verzoekster niet voldoet aan twee in artikel 284 lid 1 Fw Pro. opgenomen eisen, namelijk:
a. dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoek te goeder trouw is geweest;
b. dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
4.4
Waar het betreft de goede trouw overweegt de rechtbank als volgt. In haar schuldenoverzicht komt de verzoekster uit op een totaal aan schulden van € 44.326,64, waaronder een terugvordering van € 21.208,94 door de gemeente Venlo wegens ten onrechte ontvangen uitkering, inclusief boete. Deze vordering is ontstaan omdat de verzoekster niet heeft gemeld aan de gemeente dat haar vader was overleden.
Hoe dan ook, uit de nalatenschap van haar vader heeft zij de verzoekster eind 2022 een erfenis ontvangen van (naar eigen zeggen) ca. € 25.000. Dat bedrag was voldoende om al haar overige schulden, waaronder de huur en andere vorderingen van de verweerder, te betalen, maar zij heeft ondanks de erfenis nog geld geleend via de ING-rekeningen van haar overleden vader (€ 1.000) en van haar overleden moeder (€ 6.000) en (aldus de verzoekster) ook van (de ouders van) haar “vriendin” [naam 5] .
De kwade trouw is er met name in gelegen dat de verzoekster medio 2023 zonder enige verificatie en zonder zekerheid van terugbetaling te waarborgen veel geld – zij noemde ter zitting als geldbedrag aanvankelijk € 10.000, maar later een bedrag van ca. € 15.000 - heeft overgemaakt voor een medische behandeling van een haar onbekende derde in het buitenland. Dat geld heeft zij niet terugontvangen. De verzoekster is in het verzoekschrift noch ter zitting duidelijk geweest over wat zij precies gedaan heeft. Ter zitting had zij het eerst over een overboeking naar een op te richten stichting [naam stichting] , en uiteindelijk over een overboeking naar haar “vriendin”, die de naam [naam stichting] in haar achternaam heeft of gebruikt.. Volgens de verzoekster was het geld bestemd voor een in de Verenigde Staten wonende man, die zij niet kende.
De verzoekster heeft niets geverifieerd en kennelijk vertrouwd op haar “vriendin”. Die vriendin heeft zich naar derden, onder de naam [naam 5] , gepresenteerd als vertegenwoordigster van de verzoekster en als eigenaar van “ [naam 6] ”, waarvan de verzoekster cliënte zou zijn. Deze vriendin heeft bij de verhuurder geprobeerd rechten als medebewoner/-huurder te krijgen. Het is door de betrokkenheid van deze vriendin dat de verweerder de deelname van de verzoekster aan het WonenopProef-project heeft moeten ontzeggen. De verzoekster heeft, zo bleek ter zitting, nog steeds vertrouwen in haar vriendin, die zij al lang kent, en die, zo heeft zij verklaard, zelf ook problemen heeft. Alles wijst erop dat misbruik is gemaakt van de verzoekster. Haar kan worden verweten dat zij de betaling heeft verricht zonder enige verificatie en zekerheid dat het geld zou worden terugbetaald.
4.5
Voorts is de geestelijke toestand van de verzoekster zodanig instabiel dat zij niet in staat zal zijn te voldoen aan de op grond van de schuldsaneringsregeling geldende arbeidsverplichtingen (zoals 36 uur per week werken). Zij heeft hulp nodig, en erkent dat ook. Zij heeft nu in elk geval een beschermingsbewindvoerder. Zij stelt dat zij dit eigener beweging heeft gedaan, maar heeft ter zitting niet betwist dat dit is gebeurd onder druk van de verweerder.
De verzoekster heeft hulp gezocht in de vorm van therapie, die, zo heeft zij verklaard nog lang zal duren. Het behandelingsplan moet nog worden opgesteld. Dit betekent dat het nog een lange tijd zal duren voordat de verzoekster zal kunnen aantonen dat haar psychosociale problemen al enige tijd beheersbaar zijn conform art. 5.3.3 van bijlage III van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken.
4.6
Het voorgaande betekent dat voor een moratorium geen ruimte bestaat. Een belangenafweging zou niet leiden tot het oordeel dat een uitzondering hierop gerechtvaardigd is. Hoewel de verzoekster door de erfenis de verweerder kon betalen – niet alleen de huur, maar ook de huurachterstand en de vordering wegens de onbehoorlijke oplevering van haar huurwoning te [plaats] - heeft zij dat niet gedaan. De verweerder heeft zich daarentegen opgesteld als een sociale verhuurder en de verzoekster kansen geboden die zij niet gegrepen heeft. Onder deze omstandigheden kan van de verweerder redelijkerwijs niet verwacht worden dat zij de verzoekster nog langer als huurder moet accepteren.
Schuldsaneringsregeling
4.6
Het schuldsaneringsverzoek in onderhavige zaak is niet-ontvankelijk nu het schuldhulpverleningstraject nog niet is opgestart.

5.Beslissing

De rechtbank:
5.1
wijst de verzochte voorlopige voorziening af,
5.2
verklaart het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2024 in tegenwoordigheid van M. Vanderbroeck-Wetzels.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.