Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2024 in de zaak tussen
Sitech Services B.V., uit Geleen, eiseres
het dagelijks bestuur van het Waterschap Limburg, verweerder
- Waterleiding Maatschappij Limburg N.V.(WML) uit Maastricht,
Dunea N.V.uit Zoetermeer en
Evides N.V.uit Rotterdam (gemachtigde: mr. E. Broeren); - AnQore B.V.uit Urmond (gemachtigde: mr. J.H.W. Koster);
- Sabic Limburg B.V.uit Geleen (gemachtigde: mr. A. de Snoo).
Inleiding
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Zij geeft eerst een ambtshalve oordeel over de ontvankelijkheid van het beroep van eiseres.
allestoffen in het vrijkomende afvalwater. De rechtbank is namelijk van oordeel dat eiseres verweerder slechts in kennis dient te stellen van de concentraties van alle stoffen als sprake is van een vbb. Dat betekent, gelet op de in de watervergunning van 15 december 2020 op pagina 97, onder nummer 27, opgenomen definitie van vbb, dat enkel als andere dan de reguliere bedrijfsomstandigheden het zuiveringsproces nadelig beïnvloeden én (cumulatieve voorwaarde) gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater, sprake is van een vbb. Alleen als voldaan is aan deze voorwaarden (andere dan reguliere bedrijfsomstandigheden, nadelig beïnvloeden zuiveringsproces én gevolgen oppervlakteater) is voorschrift 7 van de watervergunning van toepassing en dient eiseres verweerder te rapporteren over alle stoffen die in die situatie, zijnde de vbb, vrijkomen in het afvalwater. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat de gevolgen voor het oppervlaktewater
nadeligmoeten zijn, omdat gunstige gevolgen geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond wat betreft voorschrift 7, derde lid, vijfde onderdeel, en vierde lid, van de bij het bestreden besluit gewijzigde watervergunning en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
- voorziet zelf in de zaak door in voorschrift 7, derde lid, vijfde onderdeel, van de (gewijzigde) watervergunning de zinsnede “(immissietoets van alle in het afvalwater vrijkomende stoffen)” te laten vervallen en bepaalt dat dit onderdeel van de uitspraak in de plaats komt van dit vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.187,50,- aan proceskosten aan eiseres.