ECLI:NL:RBLIM:2024:4002

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juni 2024
Publicatiedatum
3 juli 2024
Zaaknummer
C/03/330924 / HA RK 24-101
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens vermeende partijdigheid niet ontvankelijk verklaard

Verzoekster diende op 16 mei 2024 een verzoek tot wraking in tegen mr. C.A.M. van Wesel, rechter in de rechtbank Limburg, in een zaak betreffende de omzetting van beschermingsbewind en mentorschap naar curatele. Zij stelde dat haar spreekrecht tijdens de zitting van 15 april 2024 was beperkt en dat de motivering van de tussenbeschikking van 17 april 2024 onvoldoende was, wat duidde op vooringenomenheid.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend, aangezien het verzoek pas ruim na de zitting en tussenbeschikking werd gedaan, zonder dat verzoekster concrete omstandigheden aanvoerde die dit tijdsverloop rechtvaardigen. Volgens artikel 37 Rv Pro moet een wrakingsverzoek direct na het bekend worden van de feiten worden ingediend.

Daarnaast benadrukte de wrakingskamer dat een rechterlijke beslissing op zich geen grond voor wraking kan zijn, tenzij de motivering objectief als blijk van vooringenomenheid kan worden beschouwd, wat hier niet het geval was. Daarom werd het verzoek niet ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk behandeld.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek werd niet ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en kon niet in behandeling worden genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/330924 / HA RK 24-101
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
dat strekt tot wraking van mr. C.A.M. van Wesel, rechter in de rechtbank Limburg, hierna de rechter.

1.De procedure

Op 16 mei 2024 is ter griffie een e-mailbericht ontvangen van verzoekster, inhoudende een verzoek tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 11008737 BM VERZ 24-2120. De zaak betreft een verzoekschrift van de grootouders van verzoekster om het ten aanzien van verzoekster ingestelde beschermingsbewind en mentorschap om te zetten naar curatele met benoeming van een (andere) provisionele bewindvoerder.
De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft op 24 mei 2024 een schriftelijke reactie ingediend.
De datum van de uitspraak wordt bepaald op heden.

2.De beoordeling

Artikel 36 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Een wrakingsverzoek moet tijdig worden ingediend. In artikel 37, eerste lid, Rv is bepaald dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden, en dus niet pas op een later tijdstip als er mogelijk al verdere stappen in de procedure zijn gezet.
Voordat de wrakingskamer toekomt aan de beoordeling van de vraag of de vrees voor vooringenomenheid van de rechter onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd geacht kan worden, dient in verband met de ontvankelijkheid te worden bezien of het verzoek tijdig is ingediend.
Verzoekster stelt zich op het standpunt dat haar spreekrecht tijdens de zitting van 15 april 2024 werd beperkt en niet naar behoren in acht werd genomen, waardoor zij niet adequaat haar standpunt kon toelichten en verdedigen. Daarnaast stelt zij dat de motivering van de beslissingen in de tussenbeschikking van 17 april 2024 speculatief van aard zijn en dat de juridische onderbouwing en wettelijke gronden daarvan ontbreken. Tot slot stelt verzoekster dat zij merkte dat er reeds vóór de zitting een bewindvoerder en mentor werden aangedragen en gecontacteerd door de rechter, hetgeen duidt op vooringenomenheid ten opzichte van de zaak en verzoeksters positie binnen de procedure.
De wrakingskamer overweegt dat de aanleiding voor het wrakingsverzoek van 16 mei 2024 dus is gelegen in de behandeling ter zitting van 15 april 2024 en de inhoud van de tussen-beschikking van 17 april 2024. De wrakingskamer is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de zitting, waarnaar verzoekster in haar wrakingsgronden verwijst, en het ingediende verzoek tot wraking zodanig groot is dat het verzoek tot wraking te laat is ingediend. Omdat verzoekster verder geen concrete omstandigheden heeft aangevoerd die dit tijdsverloop tussen het ontstaan van het vermoeden van partijdigheid en het indienen van het verzoek tot wraking rechtvaardigen, is de wrakingskamer van oordeel dat het verzoek niet is gedaan zodra de feiten en omstandigheden waarop de wraking is gegrond aan verzoekster bekend zijn geworden. Het verzoek tot wraking is om die reden niet ontvankelijk en kan daarom niet in behandeling worden genomen.
Ten overvloede merkt de wrakingskamer nog op dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen meebrengt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hiervan is in dit geval niet gebleken.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.M.M. Kleijkers, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. J. Schreurs-van de Langemheen, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2024. [1]

Voetnoten

1.MJ