Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2024:3865

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 juni 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
10873300 CV EXLP 24-272
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 7:224 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling stroom- en schoonmaakkosten na huur loods

In deze civiele procedure vordert de verhuurder betaling van twee facturen van de huurder: een factuur voor stroomgebruik en een factuur voor schoonmaakwerkzaamheden na het einde van de huur van een loods. De huurder heeft de facturen niet betaald en voert verweer dat zij de stroomkosten reeds vergoed heeft en dat zij zelf de eindschoonmaak wilde doen, maar dit door de verhuurder werd verhinderd.

De kantonrechter oordeelt dat partijen een mondelinge overeenkomst sloten waarbij de huurder maandelijks € 100,00 voor stroom betaalde. De verhuurder heeft niet onderbouwd waarom hij naast deze betalingen nog recht zou hebben op extra vergoeding voor stroom. Daarom wordt de vordering voor stroomkosten afgewezen.

Ten aanzien van de schoonmaakkosten stelt de verhuurder dat de huurder tekort is geschoten in haar verplichting de loods schoon op te leveren. De huurder heeft echter niet kunnen schoonmaken omdat de verhuurder het water had afgesloten en de toegang tot de loods had ontzegd. Hierdoor is de tekortkoming niet aan de huurder toe te rekenen. De vordering voor schoonmaakkosten wordt daarom eveneens afgewezen.

De kantonrechter wijst alle vorderingen af en veroordeelt de verhuurder tot betaling van de proceskosten. De huurder procedeert in persoon en heeft tot aan dit vonnis geen proceskosten verschuldigd.

Uitkomst: Vorderingen tot betaling van stroom- en schoonmaakkosten worden afgewezen en verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 10873300 CV EXLP 24-272
Vonnis van de kantonrechter van 26 juni 2024
in de zaak van:
[eiser]handelend onder de naam
A [handelsnaam 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: R. van Dijk (Juristu Incasso Juristen B.V.),
tegen:
[gedaagde]handelend onder de naam
[handelsnaam 2] ,wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
Waar gaat deze zaak over?[gedaagde] heeft een loods van [eiser] gehuurd. [eiser] heeft [gedaagde] een factuur gestuurd voor het gebruik van stroom en een factuur voor het schoonmaken van de loods na het einde van de huur. [gedaagde] heeft niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de facturen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding,
  • de conclusie van antwoord,
  • de conclusie van repliek,
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.

2.2. Het geschil

2.1.
[gedaagde] heeft een loods van [eiser] gehuurd om onder andere vrieskisten, een koelkast en een viskar te stallen. De afspraken tussen partijen zijn mondeling gemaakt. [gedaagde] heeft de ruimte van [eiser] op 14 maart 2023 in gebruik genomen.
2.2.
Er is op een gegeven moment discussie tussen partijen ontstaan over het gebruik van de loods. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] , tegen de afspraken in, vis ontdooid, vuilnis achtergelaten en vis op de vriezer gesneden, waardoor er een onaangename geur ontstond.
2.3.
[gedaagde] heeft op 21 juni 2023 de huur opgezegd per 20 juni 2023.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] op 20 juni 2023 een factuur van € 150,00 gestuurd voor het gebruik van stroom en op 29 juni 2023 een factuur van € 520,00 voor schoonmaakwerkzaamheden. [gedaagde] heeft beide facturen niet betaald.
2.5.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van deze twee facturen, dus in totaal € 670,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten van € 100,50 en proceskosten (inclusief nakosten).
2.6.
[gedaagde] voert verweer. Zij stelt onder andere dat ze de stroomkosten al vergoed heeft en dat ze zelf de eindschoonmaak wilde doen, maar [eiser] dit onmogelijk heeft gemaakt.

3.De beoordeling

De factuur voor stroom
3.1.
De kantonrechter begrijpt dat [eiser] stelt dat [gedaagde] als huurder de door haar gebruikte stroom dient te betalen en hij nakoming van deze verplichting wenst.
Op de factuur waarvan [eiser] betaling vordert, staat (voor zover relevant):
Omschrijving Aantal Prijs Te bet BTW Totaalprijs
loods [adres] unit 20900 0,50 EUR 450,00 EUR
stroom drie maanden
900 KWH
betaling3 -100,00 EUR -300,00 EUR
Totaalbedrag: 150,00 EUR
3.2.
[eiser] stelt dat deze factuur ziet op het leveren van drie maanden stroom.
[eiser] stelt dat hij een aparte meter heeft laten plaatsen om de stroomkosten van [gedaagde] inzichtelijk te hebben. [eiser] heeft een foto overgelegd van deze stroommeter. Op de foto is te zien dat de meter op 860,8 kWh staat. [eiser] stelt dat [gedaagde] (daarnaast) vijf koelkasten/vriezers/koelingen zes dagen aan heeft gehad, die elk 100 watt gebruiken. Volgens [eiser] heeft hij daardoor (ook) recht op 5 x 100 watt = 500 watt
x 24 uur x 6 dagen = 72 kWh. [eiser] komt dan (in totaal) uit op 932,8 kWh x € 0,50 =
€ 466,40. [eiser] stelt dit afgerond te hebben naar beneden.
3.3.
[gedaagde] stelt dat met [eiser] was afgesproken dat ze € 400,00 aan huur zou betalen en € 100,00 aan stroom. Aangezien [gedaagde] elke maand € 100,00 extra bij de huur heeft betaald voor stroomkosten, heeft ze naar haar mening alles vergoed.
3.4.
[eiser] heeft dit niet weerspoken. [eiser] heeft niet betwist dat is afgesproken dat [gedaagde] maandelijks € 100,00 voor stroom zou betalen. De kantonrechter gaat er dan ook vanuit dat partijen dat inderdaad zijn overeengekomen. Door [eiser] is niet onderbouwd waarom hij naast de betaalde maandelijkse € 100,00 recht zou hebben op een vergoeding voor gebruikte stroom. Niet gesteld of gebleken is dat partijen dat zijn overeengekomen. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde] niet aan haar maandelijkse betalingsverplichting van € 100,00 heeft voldaan. Integendeel: uit de factuur van [eiser] volgt juist dat er drie betalingen van € 100,00 zijn gedaan (zie 3.1).
3.5.
De kantonrechter volgt het betoog van [eiser] dus niet en wijst de vordering tot betaling van de factuur van € 150,00 af.
De factuur voor schoonmaakwerkzaamheden
3.6.
De kantonrechter begrijpt dat [eiser] na het einde van de huur een eindschoonmaak heeft uitgevoerd en de kosten hiervan in rekening wenst te brengen bij [gedaagde] .
3.7.
[eiser] stelt dat omdat [gedaagde] met (rauwe) vis werkte een intensieve schoonmaakbeurt essentieel was. [eiser] heeft samen met zijn zoon vier uur lang (dus totaal acht uur) schoongemaakt. [eiser] heeft hiervoor 8 x € 65,00 = € 520,00 in rekening gebracht bij [gedaagde] . [eiser] stelt dat hij meerdere huurders heeft en eenieder heeft geklaagd over stank. Om die reden heeft [eiser] [gedaagde] niet zelf laten schoonmaken. [gedaagde] was telkens met een uur klaar met als gevolg een nog vieze en stinkende ruimte waarin de vuilniszakken van dagen geleden nog stonden.
3.8.
[gedaagde] stelt meermaals te hebben aangegeven schoon te maken, maar dat [eiser] ervoor gekozen heeft dit zelf te doen. [gedaagde] stelt dat de eindschoonmaak hun onmogelijk is gemaakt, omdat [eiser] het water had afgesloten. Zij mocht de loods niet meer in, want [eiser] wilde meteen de sleutel van de loods hebben.
3.9.
Volgens [eiser] is [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst op grond van artikel 6:74 BW Pro. De kantonrechter begrijpt het betoog van [eiser] zo dat volgens [eiser] uit de overeenkomst van partijen volgt dat [gedaagde] de loods had moeten
schoonmaken, maar dit niet gedaan heeft en [eiser] daardoor schade heeft geleden.
De kantonrechter wijst er daarbij op dat ook uit de wet volgt dat en hoe een huurder het gehuurde bij het einde van de huur moet opleveren (artikel 7:224 BW Pro).
3.10.
Door [gedaagde] is niet weersproken dat ze de loods schoon moest opleveren. [eiser] heeft echter niet weersproken dat hij [gedaagde] niet de kans heeft gegeven de loods schoon te maken. Hij heeft niet betwist dat hij het water heeft afgesloten en de toegang tot de loods heeft ontzegd. Voor zover [gedaagde] de overeenkomst niet is nagekomen door de loods niet schoon te maken, is dit dus niet aan haar toe te rekenen. [eiser] heeft het aan zichzelf te wijten dat [gedaagde] de loods niet heeft schoongemaakt. Dat andere huurders klaagden over stank en [gedaagde] eerder niet goed schoonmaakte, vindt de kantonrechter (nog los van de vraag naar de juistheid van deze stellingen) onvoldoende om [gedaagde] de kans te ontnemen de eindschoonmaak zelf uit te voeren.
3.11.
De kantonrechter volgt ook dit betoog van [eiser] dus niet en wijst ook de vordering tot betaling van de factuur van € 520,00 af.
Conclusie
3.12.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen.
3.13.
[eiser] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] procedeert in persoon. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de kant van [gedaagde] daarom begroot op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vorderingen af,
4.2.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. de Boer en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2024.