ECLI:NL:RBLIM:2024:3711
Rechtbank Limburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Nakoming vaststellingsovereenkomst en betaling resterende beëindigingsvergoeding
De voormalige werknemer was in dienst bij Vodafone van augustus 2015 tot december 2023. Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst met een beëindigingsvergoeding van €21.000 bruto. De werknemer ontving in januari 2024 een deel van de vergoeding, maar stelde dat dit te laag was en vorderde het restant van €3.443,67 netto, de wettelijke verhoging en incassokosten.
Vodafone betaalde het restant niet en bood slechts gedeeltelijke betaling aan, wat werd afgewezen door de werknemer. De kantonrechter oordeelde dat de vordering tot betaling van het resterende bedrag toewijsbaar was omdat Vodafone dit niet betwistte. De wettelijke verhoging werd afgewezen omdat de werknemer onvoldoende feiten aanvoerde om de vergoeding als loon te kwalificeren.
Daarnaast werd een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegewezen, maar lager dan gevorderd conform het toepasselijke Besluit. De proceskosten werden aan Vodafone opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Vodafone wordt veroordeeld tot betaling van het resterende bedrag van €3.443,67 netto en incassokosten, terwijl de wettelijke verhoging wordt afgewezen.