Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2024.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 678,00(2,00 punten x € 339,00)
Rechtbank Limburg
Wealer B.V., een autobedrijf, vordert betaling van openstaande facturen van BBS B.V., een koeriersbedrijf waarmee zij een langdurige zakelijke relatie heeft. De facturen betreffen reparatiewerkzaamheden en materialen geleverd aan bedrijfsauto's van BBS, alsmede kosten voor vervangend vervoer tijdens reparaties. BBS heeft slechts een deel van de facturen voldaan en betwist de betalingsverplichting voor het vervangend vervoer.
De rechtbank stelt vast dat de mondelinge overeenkomsten over reparaties en levering van materialen voldoende aannemelijk zijn en dat BBS onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat deze werkzaamheden zijn verricht en kosten verschuldigd zijn. De vordering voor de factuur van november 2021 wordt daarom toegewezen. Voor het vervangend vervoer is echter geen duidelijke overeenkomst of betalingsafspraak aangetoond; BBS stelt dat het om een goodwill-voorziening ging. De rechtbank wijst deze vordering af wegens gebrek aan bewijs van een huurovereenkomst of betalingsverplichting.
Verder worden buitengerechtelijke incassokosten toegekend op basis van de wettelijke staffel, maar niet de hogere door Wealer gevorderde kosten. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf de vervaldatum van de facturen. BBS wordt veroordeeld tot betaling van €6.348,71 plus rente en proceskosten, en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: BBS wordt veroordeeld tot betaling van €6.348,71 plus wettelijke rente en proceskosten aan Wealer, met afwijzing van de vordering voor vervangend vervoer.