De rechtbank Limburg behandelde op 11 juni 2024 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet met betrekking tot grote hoeveelheden drugs in 2020.
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op 54.180 euro, later verlaagd tot 18.060 euro, gebaseerd op een verdeling van de opbrengst van ruim 25 kilogram hasjiesj onder drie betrokkenen. De verdediging betwistte dat verdachte enig voordeel had genoten.
De rechtbank overwoog dat hoewel er aanwijzingen zijn van (tussen)handel in drugs, het dossier onvoldoende concrete gegevens bevat over de daadwerkelijke betaling, de hoogte van de opbrengst, de kosten en de verdeling daarvan. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welk voordeel verdachte heeft verkregen.
Gezien het gebrek aan concrete informatie achtte de rechtbank het onredelijk om een hoofdelijke betalingsverplichting op te leggen en wees de vordering af. Deze beslissing werd gelijktijdig genomen met het vonnis in de strafzaak.