De rechtbank Limburg behandelde op 11 juni 2024 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die veroordeeld is voor meerdere overtredingen van de Opiumwet met betrekking tot handel in grote hoeveelheden drugs in 2020.
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk geschat op €54.180, later gewijzigd naar €18.060, gebaseerd op de vermeende opbrengst uit de verkoop van ruim 25 kilogram hasjiesj op 4 november 2020. De verdediging betwistte de vordering onder meer omdat verdachte als loopjongen geen winstaandeel zou hebben en de drugs in beslag waren genomen.
Hoewel het dossier aanwijzingen bevat van daadwerkelijke handel, ontbrak wettig en overtuigend bewijs van verkoop en concrete informatie over de betaling, kosten en verdeling van de opbrengst. De rechtbank oordeelde dat het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting zonder concrete gegevens in strijd is met het vertrouwen richting de verdediging.
Daarom wijst de rechtbank de ontnemingsvordering af wegens gebrek aan concrete informatie over de opbrengst en de verdeling daarvan onder de daders.