Uitspraak
[handelsnaam],
1.De procedure
- de aan de zijde van [eiseres] ingebrachte productie 9,
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
19 januari 2024.
Rechtbank Limburg
In deze kort geding procedure vordert eiseres betaling van een factuur van €963,69 voor kinderopvangdiensten verleend aan de zoon van gedaagde. De overeenkomst was per 3 oktober 2023 ingegaan en door gedaagde opgezegd met een opzegtermijn van één maand, eindigend op 20 december 2023. Ondanks herinneringen heeft gedaagde niet betaald.
Eiseres stelt dat zij zonder betaling van deze factuur financieel niet kan voortbestaan, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft haar gemachtigde verklaard dat dit alleen het geval zou zijn bij wanbetaling door meerdere klanten. De kantonrechter stelt dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake is van onverwijlde spoed die een kort geding rechtvaardigt.
De rechtbank oordeelt dat het spoedeisend belang ontbreekt en dat eiseres haar vordering in een bodemprocedure kan voortzetten. De vordering wordt daarom afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde, vastgesteld op €793,00.
De kantonrechter komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de factuur wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.