Inleiding
1. Op 10 januari 2019 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het realiseren van een foodhal in de panden die zijn gelegen tussen de panden aan de [adres 2] en het pand aan de [adres 1] te [plaats] . Bij het primaire besluit heeft verweerder de vergunning verleend. In het primaire besluit zijn met betrekking tot - onder andere - geluid, openingstijden, laden en lossen, kookgasafvoeren en de plaats van de hoofdingang, voorschriften opgenomen.
2. De foodhal betreft een horeca-concept met diverse keukens binnen één ruimte. Men kan tegelijkertijd uit verschillende keukens bestellen. Volgens de bij het primaire besluit behorende Ruimtelijke Onderbouwing van 22 juni 2020, opgemaakt door adviesbureau BRO, staan binnen dit concept de beleving en consumptie van food ter plekke centraal. Belangrijke attractiefactoren zijn de bijzondere (uitheemse) producten, laagdrempeligheid, levendigheid, gezelligheid, het intieme karakter en diversiteit. Jong en oud maken gebruik van het concept en hiermee wordt de sociale structuur in de wijk versterkt. Verder wordt in de ruimtelijke onderbouwing overwogen dat door de foodhal het horeca-aanbod en de economische en toeristische structuur in de Maastrichtse binnenstad worden versterkt.
3. Aan de thans vergunde foodhal ging een plan vooraf dat zag op de vestiging van een restaurant en een bake-off bakkerij in het pand aan de [adres 3] en een aantal verswinkels tussen de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] . Naar aanleiding daarvan is op 12 november 2015 een omgevingsvergunning verleend voor een gebruik van het pand aan de [adres 3] voor horeca (zaaknummer [zaaknummer] ) en op 7 januari 2016 omgevingsvergunning voor detailhandel op dezelfde planlocatie als waar de foodhal is voorzien. Dit concept voor een horecazaak en daarnaast nog een aantal winkels met versproducten sloeg echter niet aan. De kandidaat-huurders van de winkels wilden niet alleen producten voor thuisgebruik verkopen maar hun producten ook aanbieden om deze ter plaatse te nuttigen. Dit is voor de eigenaar van de panden aanleiding geweest om een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning waarbij alle panden voor horeca van categorie 3 mogen worden gebruikt. Dit is in strijd met het bestemmingsplan Maastricht Centrum omdat dit bestemmingsplan ter plaatse geen nieuwe horeca respectievelijk geen nieuwe horeca van categorie 3 (dit is, kort gezegd, horeca gericht op consumptie ter plaatse) toestaat.
4. De bij het primaire besluit vergunde situatie ziet op twee activiteiten in de zin van artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo): het “bouwen van een bouwwerk” en het “gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”. De bouwactiviteit heeft betrekking op de wijziging van een subbrandcompartimentering. Het gaat om het verplaatsen van een binnenwand en het aanbrengen van een nieuwe trap met een nieuwe trapsparing. De vergunde afwijking van het bestemmingsplan betreft het gebruik van de op de situatietekening bij het bestreden besluit met rood omlijnde perceelgedeelten ten behoeve van horeca van categorie 3. In het primaire besluit en bestreden besluit wordt dit gebruik toegestaan met dien verstande dat dit gebruik is beperkt tot horeca volgens het foodhalconcept zoals gedefinieerd in de Ruimtelijke Onderbouwing van BRO en het bij dat besluit behorende “Plan van Aanpak” van [naam 16] bouwadvies. De vergunning ziet op de vestiging van 15-25 kleine horecazaken.
5. Zowel eiser als eiseres hebben, ieder afzonderlijk, tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Beiden hebben hun bezwaren op 23 september 2020 mondeling aan verweerder toegelicht.
6. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren deels gegrond verklaard, het primaire besluit aangevuld met een nadere motivering, enkele nadere voorschriften in de vergunning opgenomen en nog een vergunning voor het slopen van een binnenwand verleend.
7. Bij het dwangsombesluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uiterlijk op 8 december 2020 op de bezwaren had moeten worden beslist en dat, nu het bestreden besluit op 21 december 2020 aan eiser is verzonden, geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen is verbeurd.
8. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Daarnaast is eiser het niet eens met het dwangsombesluit. Hierna zal de rechtbank eerst de beroepsgronden gericht tegen het bestreden besluit beoordelen (zie hierna onder rechtsoverwegingen 10 tot en met 20). Daarna zal de rechtbank het beroep gericht tegen het dwangsombesluit beoordelen (zie hierna onder rechtsoverwegingen 21 tot en met 26). Tot slot zal de rechtbank onder het kopje conclusie de uitkomst van de procedure weergeven.