ECLI:NL:RBLIM:2024:2651
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering exploitatievergunning cafetaria wegens relatie met strafbare feiten voormalige verhuurder
Eiser huurt sinds 2017 een bedrijfspand van de erfgenamen van een voormalige verhuurder die strafrechtelijk is veroordeeld voor verschillende strafbare feiten en in 2020 is overleden. De burgemeester weigerde de exploitatievergunning op grond van de Wet Bibob, omdat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen voordelen te benutten.
Het Landelijk Bureau Bibob (LBB) bracht advies uit waarin werd geconcludeerd dat eiser in een zakelijk samenwerkingsverband stond met de voormalige verhuurder en daardoor in relatie staat tot de strafbare feiten en het financieel voordeel dat deze behaalde. Daarnaast is vastgesteld dat eiser illegaal in het pand woonde en valsheid in geschrifte pleegde bij een eerdere vergunningaanvraag.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester terecht het advies van het LBB heeft gevolgd en dat het feit dat de voormalige verhuurder is overleden het gevaar niet wegneemt. Het crimineel voordeel is door vererving overgegaan op de erfgenamen, waardoor het gevaar blijft bestaan. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de weigering van de vergunning niet onredelijk is.
Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de rechtbank ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de exploitatievergunning wordt ongegrond verklaard.