Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
opname van beeldals bedoeld in artikel 567 van Pro het Wetboek van Strafvordering, te weten camerabeelden (bestanden “ [bestandsnaam 1] ”, “ [bestandsnaam 2] “, “ [bestandsnaam 3] “, “ [bestandsnaam 4] ”).
proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 2] [3] van 3 juni 2020, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
toen er geschoten werd. Ik heb [verdachte] op mij zien schieten. Ik zag ze op mij afkomen. Zeker 10 heb ik er gehoord.
proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] [4] van 29 mei 2020, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
proces-verbaal van verhoor van de getuige [slachtoffer 4] [5] van 27 mei 2020, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
forensisch medische letselrapportagedoor [naam 1] [7] van 25 november 2020, onder meer inhoudende:
proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] [8] van 26 mei 2020 zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
was ook de auto ingesprongen en zei dat hij geraakt was. Ik zag dat er bloed onder de broek van [slachtoffer 1] vandaan kwam. Ik ben toen weggereden in de richting van Klimmen. Ik zag ongeveer 100 meter na de woning [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] lopen. Zij zijn toen ook bij mij in de auto gesprongen en ben ik direct naar het ziekenhuis gereden.
proces-verbaal forensisch onderzoek voertuigdoor [naam 2] en [naam 3] [9] van 12 juni 2020, onder meer inhoudende:
verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 30 april 2024, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
printscreenvan de camerabeelden gemarkeerd op welke plek hij gehurkt zat toen hij [slachtoffer 2] het vuurwapen zou hebben zien pakken. De rechtbank stelt vast dat de verdachte vanuit die positie schuin door een brede, dicht-begroeide haag heeft moeten kijken. Zijn zichtlijn op [slachtoffer 2] en diens voertuig werd op dat moment [18:39:17] verder belemmerd door een drietal personen dat in de nabijheid van de poort stond. De rechtbank acht het daarom onmogelijk dat de verdachte deze waarneming heeft kunnen doen en acht zijn verklaring, die veeleer ingegeven lijkt te zijn door een interpretatie van de beelden die door de (veel hoger geplaatste) camera zijn geregistreerd, ongeloofwaardig.
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 1] , van € 24.678,54, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 26 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 158 dagen, met dien verstaande dat de gijzeling de betalings-verplichting niet opheft;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, en omgekeerd;
- wijst de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte in kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot heden op nihil;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer 2] , van € 22.960,05, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over de periode van 26 mei 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 149 dagen, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, en omgekeerd.